Genietingsmoment bepalend

24 november 2020

Een optievoordeel wordt belast op het moment dat dat optievoordeel daadwerkelijk wordt uitbetaald. Het (civielrechtelijke) uitoefenmoment is daarbij niet van belang.


Aan belanghebbende zijn in december 2004 onvoorwaardelijk optierechten toegekend. Die toekenning heeft geleid tot het genieten van loon (€ 4.698.150) waarover de werkgever op dat moment loonheffing heeft ingehouden (€ 2.443.038). Tussen partijen is niet in geschil dat het overgangsrecht van art. 36 Wet LB van toepassing is zodat art. 10a Wet LB zoals dat gold tot 1 januari 2005 op belanghebbende van toepassing blijft. Op grond van art. 10a lid 3 Wet LB vindt een aanvullende heffing plaats indien de aandelenopties binnen drie jaar na het overeenkomen van het recht worden uitgeoefend.
Het civielrechtelijke uitoefenmoment van de optierechten heeft op 6 juni 2005 plaatsgevonden. De daadwerkelijke uitbetaling van het optievoordeel is echter pas in 2012 nadat verschillende civielrechtelijke procedures zijn gevoerd.
In geschil is of belanghebbende in 2012 een belast voordeel heeft genoten in verband met de uitoefening van de opties. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het uitoefenmoment is gelegen binnen drie jaar na onvoorwaardelijke toekenning van de optierechten, zoals bedoeld in art. 10a lid 3 Wet LB. Het begrip uitoefening van art. 10a lid 3 Wet LB moet hetzelfde worden uitgelegd als het civielrechtelijke uitoefenmoment. Voorts volgt het hof het oordeel van de rechtbank dat het bedrag dat belanghebbende heeft ontvangen niet eerder inbaar was dan in 2012. Op grond van art. 13a lid 1 Wet LB heeft het genietingsmoment derhalve in 2012 plaatsgevonden.
Toch is het hoger beroep gegrond omdat de inspecteur verzuimd heeft rekening te houden met het reeds in 2004 in aanmerking genomen loon in verband met de toekenning van het optierecht. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 39.467.
Belanghebbende heeft cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het middel niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof omdat geen rechtsvraag aan de orde is. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan met toepassing van artikel 81, lid 1 RO.

De uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant is eerder behandeld in Genietingsmoment optievoordeel bepalend voor belasting (7-5-2019). Ik heb daarbij aangegeven dat onderscheid gemaakt moet worden tussen het uitoefenmoment en het genietingsmoment. Voor het uitoefenmoment wordt aangesloten bij het civiele recht, omdat in de Wet op de loonbelasting geen definitie opgenomen is voor het uitoefenmoment. Het genietingsmoment is geregeld in art. 13 lid 1 Wet LB. Gelet op de weigerachtige houding van de werkgever was het voordeel niet eerder inbaar dan in 2012.

Wet: art. 10a , 13a lid 1 , art. 36 Wet LB 1694 (tekst 2012)
Jurisprudentie: HR 20-11-2020 (ECLI:NL:HR:2020:1814), Hof Den Bosch 16-1-2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:136), Rb. Zeeland-West-Brabant 19-3-2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:1141)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf