Levenslooptegoed alleen in één keer voordelig uit te keren

27 oktober 2020

In 2015 mochten werknemers die deelnamen aan de levensloopregeling hun levenslooptegoed volledig laten uitkeren. Daarbij werd maar 80% belast. Een werknemer die in 2015 zijn levenslooptegoed bij zijn oude werkgever laat uitkeren, maar bij zijn nieuwe werkgever weer een tegoed opbouwt, kan volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant geen beroep doen op die 80%-regeling.


Een werknemer is van november 2004 tot 1 april 2015 werkzaam geweest bij een stichting en heeft sinds maart 2006 deelgenomen aan een levensloopregeling met polisnummer 1. Met ingang van 1 april 2015 is de werknemer werkzaam bij een universiteit. Ook bij deze werkgever neemt werknemer deel aan een levensloopregeling ditmaal onder polisnummer 2. Beide polissen zijn bij dezelfde verzekeringsmaatschappij afgesloten.
De werknemer heeft de verzekeringsmaatschappij in 2015 verzocht de polis bij de stichting te beëindigen en een uitkering van het levenslooptegoed te doen. De uitkering bedraagt € 80.356 bruto waarop loonheffingen worden ingehouden. De netto-uitkering bedraagt € 38.570. De werknemer heeft de uitkering voor een bedrag van € 64.874 in zijn aangifte inkomstenbelasting opgenomen. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2015 heeft de inspecteur de uitkering voor een bedrag van € 80.356 in aanmerking genomen.
In geschil is of de werknemer met betrekking tot de uitkering uit de levenslooppolis recht heeft op toepassing van de 80%-regeling als bedoeld in art. 39d lid 4 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2015). Daarnaast is in geschil of de uitkering uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit vroegere arbeid. De werknemer beantwoordt deze vragen bevestigend, de inspecteur ontkennend.
De rechtbank oordeelt dat de 80%-regeling niet van toepassing is op het uitgekeerde levenslooptegoed van de werknemer. In 2015 heeft de werknemer aan de verzekeringsmaatschappij slechts verzocht het deel van de levensloopregeling voor zover deze bij de stichting was opgebouwd, te beëindigen. Naast de levensloopregeling via de stichting beschikte de werknemer in 2015 namelijk ook over een levensloopregeling via de universiteit. Dat de verzekeringsmaatschappij twee verschillende polisnummers gebruikt, is niet van belang. Nu de werknemer niet heeft verzocht de volledige levensloopregeling te beëindigen bestaat geen recht op toepassing van de 80%-regeling als bedoeld in art. 39d lid 4 Wet LB.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de uitkering van de werknemer uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid omdat de werknemer nog geen 61 jaar oud is.
De rechtbank verklaart het beroep van de werknemer ongegrond.

Op basis van art. 39d lid 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 gold in 2015 bij opname van een aanspraak ingevolge een levensloopregeling een 80%-regeling. De 80%-regeling hield in dat, ingeval de gehele aanspraak ineens werd opgenomen, het deel dat niet hoger was dan de waarde in het economisch verkeer van die aanspraak op 31 december 2013 voor 80% in aanmerking werd genomen. Het meerdere werd volledig belast. De regeling was maar één jaar geldig en is per 1 januari 2016 vervallen. De jurisprudentie hierover is daardoor beperkt.
Partijen houdt verdeeld of sprake is van één of twee polissen nu de verzekeringsmaatschappij de levensloopregeling onder twee polisnummers administreert. De werknemer heeft zich nog niet neergelegd bij de uitspraak van de rechtbank en heeft inmiddels hoger beroep ingesteld bij Hof Den Bosch. De kwalificatie van de uitkering als inkomen uit tegenwoordige arbeid lijkt mij in deze situatie juist.

Wet: art. 39d lid 4 Wet LB 1964 (tekst 2015)
Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant 07-08-2020, nr. AWB 19/5050 (ECLI:NL:RBZWB:2020:3691)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf