Uitkering in vier termijnen is geen pensioen

22 september 2020

Een belastingplichtige ontvangt een uitkering in vier termijnen. Omdat naar Nederlandse begrippen geen sprake is van een pensioen, valt de uitkering volgens A-G Niessen niet onder het pensioenartikel uit het Verdrag. Het heffingsrecht wordt aan Nederland toegewezen.


Een inwoner van Duitsland (vanaf 2009) is geboren in 1949. Na zijn ontslag in 2002 heeft hij afwisselend bij diverse Nederlandse werkgevers in Nederland gewerkt of WW-uitkeringen ontvangen. Met ingang van 1 december 2013 is hij met vervroegd pensioen gegaan. Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2002 heeft de ex-werkgever een beëindigingsvergoeding betaald van € 75.000 bruto. De ex-werkgever heeft de beëindigingsvergoeding rechtstreeks gestort in een lijfrentepolis (C), die is ingegaan op 14 september 2014. Het gaat om een stamrecht op grond van art. 11 lid 1 onder g Wet LB 1964 (oud). Op 13 januari 2015 sluit de inwoner een polis voor een periodieke uitkering met het opgebouwde lijfrentekapitaal. De uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloning. Uitkering vindt per kwartaal plaats van 14 december 2014 tot 14 december 2015. De inwoner ontvangt over het eerste kwartaal van 2015 een periodieke uitkering van de verzekeraar. Op deze uitkering houdt de verzekeraar loonheffingen in. In geschil is het antwoord op de vraag of op de uitkering terecht loonheffing is ingehouden. Specifiek is in geschil of het heffingsrecht over de uitkering aan Nederland (niet-zelfstandige arbeidsartikel) of aan Duitsland (pensioenartikel) is toegewezen. Hof Den Bosch oordeelt dat de inwoner onvoldoende heeft aangedragen om aan te tonen dat bedoeld is een aanvulling op het pensioen overeen te komen. Bovendien is in beide polissen vermeld dat het gaat om een stamrecht op grond van art. 11 lid 1 onder g Wet LB 1964 (oud) en niet om een pensioen. Advocaat-Generaal (hierna: A-G) Niessen concludeert als volgt. Nederland kan heffen over de uitkering op basis van de nationale wet, indien de heffingsbevoegdheid aan Nederland toekomt op basis van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen Nederland en Duitsland. Hiervoor is het antwoord op de vraag of het niet-zelfstandige arbeidsartikel of het pensioenartikel uit het Verdrag van toepassing is. Het niet-zelfstandige arbeidsartikel wijst heffing aan Nederland toe, het pensioenartikel wijst heffing aan Duitsland toe. Lonen en salarissen en pensioenen en andere uitkeringen of op geld waardeerbare voordelen ter zake van vroegere dienstbetrekking zijn in het Verdrag en het Protocol niet gedefinieerd. Op grond van het Verdrag volgt dan dat nadere invulling van deze begrippen op basis van de Nederlandse wetgeving moeten worden gegeven. Uit rechtspraak van de Hoge Raad leidt de A-G af dat er allereerst sprake moet zijn van een uitkering ter overbrugging in de voorziening van levensonderhoud tot aan het bereiken van de pensioenleeftijd of tot verbetering van het pensioen. Hierbij zijn de berekeningswijze van de omvang van de uitkering, de leeftijd van belanghebbende en de kans dat hij elders aan de slag kan van belang. Het gaat om objectieve omstandigheden waarbij de bedoeling van de inwoner niet relevant is. Volgens het hof heeft de inwoner niet voldoende aangedragen om de kwalificatie als pensioen te rechtvaardigen. In de correspondentie tussen de inwoner en de ex-werkgever zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit blijkt dat de uitkering strekte tot een voorziening in het levensonderhoud of tot een aanvulling op zijn pensioen. De vergoeding hangt samen met zijn ontslag en de inwoner heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gelet op zijn leeftijd geen kansen meer had op de arbeidsmarkt. Bovendien staat in de polissen dat het gaat om een stamrecht. Hiermee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien heeft de inwoner de ontslagvergoeding ontvangen in 2002 en deze is als lijfrente niet direct uitgekeerd. Uitkeringen vinden plaats nadat de inwoner de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Hierdoor zouden de uitkeringen kwalificeren als ingegaan op pensioengerechtigde leeftijd, maar het betreft een uitkering in vier termijnen en niet levenslang. Hierdoor is er, naar Nederlandse begrippen, geen sprake van een pensioen en valt daarom ook niet onder het pensioenartikel uit het Verdrag.

De verdragskwalificatie van (ontslag)uitkeringen is al lang onderwerp van discussie, voornamelijk door het ontbreken van definities van loon, salaris, pensioen en andere soortelijke uitkeringen. Zie hiervoor ook diverse arresten waarnaar de A-G verwijst.

Wet: art. 11 lid 1 onder g (oud) Wet LB 1964, art. 10 en art. 12 Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing Nederland – Duitsland 1959
Jurisprudentie: Conclusie A-G Niessen 28-8-2020, nr. 20/00674 (ECLI:NL:PHR:2020:748), Hof Den Bosch 16-1-2020, nr. 18/00747 (ECLI:NL:GHSHE:2020:133), Rb. Zeeland-West-Brabant 9-11-2018, nr. 16/8490 (ECLI:NL:RBZWB:2018:6412)

Hoge Raad 3-5-2000, nr. 34 361 (ECLI:NL:HR:2000:AA5676) en nr. 34 653 (ECLI:NL:HR:2000:AA5678), 22-7-1989, nr. 7397, (ECLI:NL:HR:1989:ZC3883), 6-11-1986, nr. 23 027 (ECLI:NL:HR:1986:AW8165) en 11-6-2004, nr. 37 714 (ECLI:NL:HR:2004:AF7812)

Loonzaken/ Jacqueline Nietveld