Bepaling premiedeel heffingskorting

22 september 2020

Voor de berekening van het premiedeel van de heffingskorting moet volgens Hof Den Bosch worden uitgegaan van het wereldinkomen en niet van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland.


Een vrachtwagenchauffeur, in dienst van een bv, is inwoner van Duitsland. Hij werkt deels in Nederland en deels in Duitsland. Een deel van zijn loon is in Nederland belast. In 2015 is hij buitenlands belastingplichtig, maar geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige. Hij is het gehele jaar premieplichtig in Nederland voor de volksverzekeringen. Hij doet aangifte IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.215 (het Nederlandse deel) en een premie-inkomen van € 43.719 (met een maximum van € 33.589). In de aangifte is een heffingskorting ad € 3.492 in aanmerking genomen, bestaande uit de algemene heffingskorting ad € 1.272 (premiedeel) en de arbeidskorting van € 2.220. In zijn bezwaarschrift stelt de vrachtwagenchauffeur zich op het standpunt dat de het premiedeel van de algemene heffingskorting € 1.700 bedraagt. In geschil is of bij het bepalen van het premiedeel van de algemene heffingskorting moet worden uitgegaan van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland of van het wereldinkomen. Het hof overweegt dat in de Wfsv is bepaald dat de maatstaf voor de premieheffing volksverzekeringen het premie-inkomen is. Het gaat om het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet IB 2001, ofwel het wereldinkomen. De verschuldigde premie wordt vervolgens verminderd met de heffingskorting. Gelet hierop is het premiedeel van de heffingskorting de maximale heffingskorting in 2015 € 2.203 minus afbouw (wereldinkomen € 43.719 minus drempel € 19.822 = € 23.897 x 2,32% =) € 554 = € 1.649. Het premiedeel bedraagt (28,15/36,5 x € 1.649 =) € 1.272. Het standpunt dat niet moet worden uitgegaan van het wereldinkomen zou leiden tot het gevolg dat de vrachtwagenchauffeur recht zou hebben op een hoger premiedeel van de heffingskorting dan binnenlands of kwalificerende belastingplichtigen met hetzelfde premie-inkomen. Bij hen vindt wel afbouw van de heffingskorting op basis van het wereldinkomen plaats. Er is geen aanknopingspunt in de wetsgeschiedenis te vinden die een dergelijk verschil in behandeling heeft beoogd. Dat voor de berekening van het premiedeel van de heffingskorting wordt uitgegaan van het wereldinkomen doet recht aan de draagkrachtgedachte, die ten grondslag ligt aan de afbouw van de algemene heffingskorting. Een verwijzing van de vrachtwagenchauffeur naar een arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019 leidt niet tot een ander oordeel van het hof. In dat arrest ging het, anders dan hier, om inkomen dat was vrijgesteld op basis van het Protocol van de EU, waardoor dit inkomen was vrijgesteld voor zowel de inkomstenbelasting als voor de premieheffing. Het hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.

De berekening van het belastingdeel en het premiedeel van de heffingskorting staat beschreven in art. 8.3 en 8.4 van de Wet IB 2001. Het premiedeel van de heffingskorting in 2020 is voor:

  • de AOW: 17,90/37,35 deel van de heffingskorting

  • de Anw: 0,1/37,35 deel van de heffingskorting

  • de Wlz: 9,65/37,35 deel van de heffingskorting

Voor premieplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt gelden andere percentages.

Wet: art. 8.3, 8.4, 8.5, 8.6 en 8.10 Wet IB 2001, art. 7 en 8 Wfsv
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 4-9-2020, nr. 19/00786 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2749); HR 19-7-2019, nr. 18/03217 (ECLI:NL:HR:2019:1221)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld