Internationaal (vlieg)verkeer en heffingsrecht

15 september 2020

Doordat het begrip internationaal verkeer niet in alle verdragen hetzelfde wordt uitgelegd, wordt het heffingsrecht over het salaris van een piloot voor werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk, die geen betrekking hebben op internationale vluchten, aan Nederland toegewezen.


Belanghebbende woont in Nederland en is sinds 20 april 2015 werkzaam als piloot voor C Ltd. Zijn standplaats is in het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK). In 2015 heeft de piloot 136 dagen gewerkt. Op 81 dagen was sprake van internationale vluchten. Op de overige 55 dagen (hierna: bijzondere dagen) was de piloot werkzaam in het VK. Op de loonstroken van de piloot is niet alleen het salarisbedrag vermeld, maar zijn ook bedragen opgenomen in verband met diverse ‘allowances’.
In geschil is of Nederland het heffingsrecht heeft over het inkomen voor de dagen dat de piloot geen internationale vluchten heeft uitgevoerd. Daarnaast is in geschil of de ‘allowances’ tot het fiscaal loon behoren. De piloot beantwoordt beide vragen ontkennend.
De piloot stelt dat op de bijzondere dagen geen sprake is van ‘internationaal verkeer’. Dit leidt ertoe dat het VK het heffingsrecht over de inkomsten van die dagen heeft. De rechtbank volgt de piloot hierin niet. De piloot maakt niet aannemelijk dat een van het Verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk afwijkende uitleg van het begrip ‘internationaal verkeer’ moet worden toegepast. De tekst van het Verdrag bevat hiervoor geen aanwijzingen. Uit de toelichting op het Verdrag volgt evenmin dat partijen hebben beoogd om in gevallen als de onderhavige, waarin op enkele dagen werkzaamheden worden uitgeoefend op uitsluitend het grondgebied van de andere Verdragsluitende staat (anders dan de woonstaat), het heffingsrecht over de daarmee behaalde inkomsten (in zoverre) aan de andere Verdragsluitende staat toe te wijzen. Dit leidt in de deze zaak ertoe dat het heffingsrecht over alle inkomsten van de piloot – als lid van de bemanning van een luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd – wordt toegewezen aan het woonland van de piloot, Nederland. Dat de definitie van het begrip ‘internationaal verkeer’ of (het equivalent van) art. 14 lid 3 van het Verdrag in andere verdragen anders is en wél de door de piloot gewenste uitkomst zou (kunnen) hebben, kan daaraan niet afdoen.
Verder stelt de rechtbank dat de ‘allowances’ die belanghebbende geniet tot zijn fiscaal loon behoren. De piloot, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onbelaste vergoeding in de zin van art. 31a Wet LB 1964.

De uitleg van het begrip ‘internationaal verkeer’ in belastingverdragen leidt vaker tot discussie. In mei informeerde ik u over de uitleg van het begrip ‘internationaal verkeer’ in het verdrag met Zwitserland. Ditmaal staat het begrip ‘internationaal verkeer’ in het belastingverdrag Nederland – VK ter discussie. Het verdient aanbeveling om in alle gevallen de tekst van het relevante belastingverdrag te raadplegen omdat in Nederlandse belastingverdragen soms aansluiting wordt gezocht bij de woonplaats van de werknemer (bijv. Frankrijk) en soms bij het land waar de feitelijke leiding van de luchtvaartonderneming is gevestigd (bijv. Verenigd Koninkrijk).

Wet: art. 31a Wet LB 1964, art. 14 lid 3 Verdrag Nederland – Verenigd Koninkrijk
Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 28-08-2020, nr. AWB–19_5275 (ECLI:NL:RBNHO:2020:6624)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf