Heffing over pensioen aan Nederland toegewezen

08 september 2020

Pensioenuitkeringen vanuit Nederland uit een ten onrechte niet-belaste (onzuivere) pensioenaanspraak zijn in Nederland belast. Door informatie van de Belgische belastingautoriteiten beschikt de inspecteur over een nieuw feit en mag hij navorderen.


Een pensioengerechtigde woont sinds 21 juni 1994 in België. Hij is 100% aandeelhouder van een in Nederland gevestigde pensioen-bv. In een pensioenbrief van 18 december 1993 is hij met zijn toenmalige werkgeefster, de Praktijk bv, een ouderdoms- en overbruggingspensioen overeengekomen. De pensioenbrief bevat geen bepaling dat de pensioenaanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd of prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kan worden, anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet. In zijn Nederlandse aangifte IB/Pvv heeft de pensioengerechtigde aangegeven dat de pensioenuitkeringen niet in Nederland waren belast. De inspecteur heeft de aangiften gevolgd. In 2017 heeft de inspecteur gegevens ontvangen van de Belgische belastingautoriteiten. Hierin staat dat de uitkeringen van de pensioen-bv niet zijn te beschouwen als een beroepsinkomen, maar als roerend inkomen, bepaald op 3% van het prijsgegeven kapitaal. De inspecteur schrijft aan de pensioengerechtigde dat hij nieuwe informatie heeft ontvangen, dat de aanslagen over 2012 tot en met 2014 tot een te laag bedrag zijn opgelegd en dat hij een vergrijpboete gaat opleggen van 50% omdat de pensioengerechtigde als jurist goed op de hoogte was van de wet- en regelgeving. Bovendien was de heffing in België over het pensioen zeer laag, waardoor de pensioengerechtigde had moeten begrijpen dat dit niet juist was. De pensioenbrief bevat geen afkoopverbod, waardoor er sprake is van een onzuiver pensioen. Het hof oordeelt dat dit onzuivere pensioen nooit in de heffing van belasting is betrokken, maar dat de uitkeringen toch worden belast als loon op grond van de Wet LB 1964 (art. 10 lid 4). Omdat het pensioen in België laag belast is en niet tegen het algemeen voor reguliere arbeidsinkomsten geldende tarief, is heffing over de pensioenuitkeringen aan Nederland toegewezen op grond van het pensioenartikel uit het Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing Nederland – België. Bovendien is het pensioen voor minder dan 90% in de Belgische heffing betrokken. Het hof oordeelt dat de inspecteur mag navorderen omdat er sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het nieuwe feit betrof de informatie die de inspecteur van de Belgische belastingautoriteiten heeft ontvangen. Op grond van jurisprudentie pleegt de inspecteur geen ambtelijk verzuim als hij de aanslag oplegt conform de aangifte, ook wanneer hij over informatie beschikt die erop kan wijzen dat de aangifte onjuist is. De voorwaarde hiervoor is dat die informatie de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangifte juist is.

Het kan voorkomen dat een belaste aanspraak, bijvoorbeeld een onzuiver (geworden) pensioenaanspraak, op een bepaald moment ten onrechte niet bij het loon is gerekend en er geen loonheffing over is afgedragen. Omdat de aanspraak feitelijk belast had moeten worden, zouden de uitkeringen daaruit onbelast zijn. Dit is het gevolg van de omkeerregel. Art. 10 lid 4 Wet LB 1964 voorkomt dit. De uitkeringen uit een destijds ten onrechte niet-belaste pensioenaanspraak zijn in dat geval belast.

Wet: art. 10 lid 4 Wet LB 1964
Verdrag: art. 18 lid 2 Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing Nederland – België
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 23-7-2020, nr. 19/00664 tot en met 19/00666 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2357), Rb. Zeeland-West-Brabant 28-10-2019, nr. BRE 18/1008, 18/1009 en 18/1010 (ECLI:NL:RBZWB:2019:6113); HR 12-3-2010, nr. 08/04868 (ECLI:NL:HR:2010:BL7165) en HR 16-4-2010, nr. 08/05088 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9082)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld