Tevergeefs beroep op meerderheidsregel

25 augustus 2020

Een podiumkunstenaar, die zijn beroepschrift onder meer onderbouwde met 123 uitspraken op bezwaar van collega’s waarbij de inkomsten werden geaccepteerd als winst uit onderneming, slaagt niet in zijn beroep op de meerderheidsregel.


Een podiumkunstenaar ontvangt in 2016 inkomsten van verschillende stichtingen en van een bv. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV over 2016 merkt de inspecteur de gage van een van de stichtingen aan als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij zijn beroepschrift tegen de aanslag dient de podiumkunstenaar bijlagen in die betrekking hebben op andere podiumkunstenaars. Het gaat om 140 arbeidsverhoudingen van 58 belastingplichtigen waarvan 123 uitspraken op bezwaar zijn geaccepteerd als winst uit onderneming. In geschil is of de podiumkunstenaar op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op kwalificatie van de inkomsten als winst uit onderneming. Enerzijds beroept de podiumkunstenaar zich erop dat er sprake is van een begunstigend beleid en anderzijds beroept hij zich op de meerderheidsregel. Het begunstigend beleid houdt volgens de podiumkunstenaar in het inwilligen van het verzoek om ambtshalve vermindering vanwege winst uit onderneming zonder nader onderzoek naar de juiste kwalificatie. Hij onderbouwt het vermoeden van het bestaan van dit beleid op de ervaring van de gemachtigde die meerdere podiumkunstenaars vertegenwoordigt. De inspecteur licht ter zitting toe dat er van een begunstigend beleid geen sprake is en dat in het verleden wellicht te gemakkelijk vertrouwd is op informatie in de verminderingsverzoeken van de podiumkunstenaars zonder dat hij nadere vragen heeft gesteld. De rechtbank oordeelt dat als er al een vermoeden van begunstigend beleid bestaat, dit door de inspecteur is ontzenuwd. Hierdoor faalt het beroep van de podiumkunstenaar op de toepassing van begunstigend beleid. Het beroep op de meerderheidsregel faalt ook. De podiumkunstenaar heeft in 2016 het merendeel van zijn inkomsten van de bv genoten uit werkzaamheden als podiumkunstenaar voor een musicalproductie. Tot de bijlagen bij het beroepschrift behoren stukken van drie andere podiumkunstenaars bij deze musicalproductie. Bij twee van hen zijn de inkomsten als loon uit dienstbetrekking aangemerkt en bij de derde is het voornemen van de Belastingdienst om deze inkomsten niet aan te merken als winst uit onderneming, maar als loon uit dienstbetrekking. In gevallen waarin alleen de namen van de artistieke uitvoeringen vermeld zijn valt niet te beoordelen of de aard van de werkzaamheden van deze personen en de door hen gedragen risico’s overeenkomen met die van een werknemer of die van een ondernemer. De podiumkunstenaar heeft twee gevallen aangewezen uit de bijgevoegde stukken waarvan hij vindt dat die gevallen het best vergelijkbaar zijn met zijn geval. De inspecteur heeft geloofwaardig verklaard dat het in een van die gevallen ging om toekenning van de kwalificatie ondernemer op grond van het vertrouwensbeginsel en dat de inkomsten in het andere geval zijn gekwalificeerd als loon uit dienstbetrekking. Het beroep is ongegrond.

De meerderheidsregel is een bescherming tegen willekeur; de ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Een uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel. De is een van de beginselen van behoorlijk bestuur. Zie voor de ontwikkeling door de Hoge Raad van de meerderheidsregel de arresten van 17 juni 1992, nr. 26 777 (ECLI:NL:HR:1992:ZC5015) en 17 juni 1992, nr. 27 048 (ECLI:NL:HR:1992:BH8123).

Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 11-08-2020, nr. AWB – 20_431 (ECLI:NL:RBNHO:2020:6077)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld