Verplicht verzekerd in Nederland

25 augustus 2020

Een Rijnvarende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat zijn Luxemburgse werkgever de exploitant van het schip is. Omdat de Nederlandse bv eigenaar van het schip is, is de Rijnvarende in Nederland verplicht verzekerd voor de premie volksverzekeringen.


Een Rijnvarende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in 2013 in Nederland. In 2013 is hij in dienstbetrekking bij een in Luxemburg gevestigde werkgever. Hij verricht werkzaamheden aan boord van een motorvrachtschip dat vanaf 2006 eigendom is van een bv. Het schip is van mei 2003 tot en met juli 2017 voorzien van een Rijnvaartakte. De Rijnvarende heeft gevaren in Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. In augustus 2007 is een Rijnvaartverklaring afgegeven waarop de werkgever als exploitant van het schip en de bv als eigenaar stond vermeld. Per 30 september 2009 is de verklaring ingetrokken. In 2006 heeft de bevoegde autoriteit aan de Rijnvarende een E101-verklaring afgegeven voor onbepaalde tijd. Hij heeft geen A1-verklaring voor 2013. De SVB heeft bij besluit bepaald dat de Rijnvarende van 2010 tot en met oktober 2014 onderworpen is aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Dit komt volgens de SVB omdat de Verordening Nederland aanwijst, omdat het schip wordt geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde bv. Tegen dit besluit heeft de Rijnvarende hoger beroep ingesteld bij de CRvB. Tegen de aanslag IB/PVV heeft de Rijnvarende beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het hof ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep is in geschil of de inspecteur bevoegd is premies volksverzekeringen te heffen en of de Rijnvarende in 2013 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het hof overweegt dat de premie volksverzekeringen op grond van de Wfsv wordt geheven door de Belastingdienst. Deze premie wordt bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van inkomstenbelasting geldende regels. In de AWR staat dat de inspecteur de aanslag vaststelt. De inspecteur is daarom bevoegd premie volksverzekeringen te heffen. Bij gebrek aan een besluit van de SVB zal de inspecteur moeten vaststellen of sprake is van verzekeringsplicht op grond van de aanwijsregels. De Rijnvarende woont in 2013 in Nederland en is nog geen 65 jaar. Hij is daarom van rechtswege verzekerd en premieplichtig op grond van de AOW en overige volksverzekeringswetten, tenzij op grond van een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. De bewijslast daarvoor ligt bij de Rijnvarende. Belanghebbende is een Rijnvarende in de zin van de Rijnvarendenovereenkomst. Deze overeenkomst heeft exclusieve aanwijsregels in afwijking van de Basisverordening ((EG) 883/2004). Op grond van de overeenkomst is op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing van de staat waarin de exploitant van het schip is gevestigd, ook al is deze niet de eigenaar van het schip. De Rijnvarende heeft echter onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat een andere onderneming dan de bv, in het bijzonder de in Luxemburg gevestigde werkgever, de exploitant van het schip is of dat het schip door meerdere ondernemingen werd geëxploiteerd. Het hof oordeelt daarmee met de rechtbank dat de bv de exploitant van het schip is. Hierdoor is de Rijnvarende in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. De inspecteur en de belastingrechter zijn gebonden aan het besluit van de SVB, ook al betreft dit geen A1-verklaring. Mocht de sociale zekerheidsrechter het besluit van de SVB vernietigen, omdat het besluit onjuist was, dan kan de belastingrechter zijn uitspraak herzien. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De Rijnvarende haalt van alles uit de kast om de rechter ervan te overtuigen dat hij geen premie volksverzekeringen verschuldigd is in Nederland. Naast het hierboven beschrevene heeft hij gesteld dat de Nederlandse autoriteiten gebonden zouden zijn aan de E101-verklaring uit Luxemburg en dat de belastingrechter dubbele premieheffing moest voorkomen door art. 73 lid 2 van de Toepassingsverordening ((EG) 987/2009) toe te passen. Het mag hem niet baten. Wanneer hij aannemelijk had kunnen maken dat de exploitant van het schip in Luxemburg gevestigd was, was hij geen premie in Nederland verschuldigd. Dit is niet gelukt.

Wet: art. 16 lid 1 Verordening (EG) 883/2004, art. 1 onderdeel a Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. 2011, 3397)
Jurisprudentie: Hof Den Haag 21-07-2020, nr. BK-19/00573 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1391

Loonzaken/Jacqueline Nietveld