Toepassing van de 30%-regeling

24 juli 2020

Het niet-toepassen van de 30%-regeling door de werkgever op het salaris van een werkneemster is een arbeidsrechtelijke zaak en kan niet door de belastingrechter worden behandeld. Nu de werkgever op de juiste manier loonheffing heeft ingehouden, slaagt het beroep van werkneemster niet.

De inspecteur heeft aan een werkneemster in augustus 2014 voor de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2018 een beschikking afgegeven voor de toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers (de 30%-regeling). Deze bewijsregel geldt voor de tewerkstelling door de werkgever (de inhoudingsplichtige). De werkgever heeft over de loontijdvakken september, oktober, november en december 2018 loonheffing op het salaris van de werkneemster ingehouden en afgedragen zonder hierbij de 30%-regeling toe te passen. De werkneemster heeft tegen deze inhoudingen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld.
Volgens de werkneemster zijn zij en haar inhoudingsplichtige overeengekomen dat de 30%-regeling van toepassing is, dat er tussen hen civielrechtelijke afspraken bestaan en dat de inhoudingsplichtige niet het prerogatief heeft om de 30%-regeling wel of niet toe te passen. Volgens de inspecteur had de inhoudingsplichtige een deel van het werknemersloon moet aanwijzen als eindheffingsloon om het onder de vrijstelling van art. 31a lid 2 onder e Wet LB 1964 te kunnen brengen. En de inhoudingsplichtige heeft dat niet gedaan.
Aan de vraag of de inhoudingsplichtige juist heeft ingehouden, gaat in dit geval eerst de vraag vooraf of de werkgever de vergoeding als eindheffingsbestanddeel heeft aangewezen. Of de werkgever dát al dan niet terecht heeft gedaan, is een contractuele kwestie tussen de werkneemster en de inhoudingsplichtige en kan in deze procedure niet worden beantwoord. Omdat de inhoudingsplichtige volgens de loonstroken de 30%-regeling in september, oktober, november en december 2018 niet heeft toegepast, heeft zij de vergoeding in die tijdvakken naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt als eindheffingsbestanddeel en is er dus juist ingehouden. Dat de werkneemster met de inhoudingsplichtige iets anders is overeengekomen en dat de inhoudingsplichtige hierbij mogelijk afspraken schendt of niet nakomt, is van arbeidsrechtelijke aard en kan er daarom niet toe leiden dat de werkneemster alsnog bij de inspecteur kan afdwingen dat zij de vergoeding netto krijgt uitgekeerd.
Aan de door de inspecteur opgeworpen vraag of de 30%-regeling nog wel kan worden toegepast omdat het op non-actief stellen van de werkneemster bij de inhoudingsplichtige daar mogelijk aan in de weg staat, wordt dan niet meer toegekomen.
De proceskosten van de werkneemster worden vergoed omdat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. Doordat de werkneemster haar bezwaren in beroep voldoende schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten, is in de procedure aan de schending van de hoorplicht voorbijgegaan.

Wet: art. 31a lid 2 onder e Wet LB 1964

Jurisprudentie: Rb. Den Haag 1-7-2020, nr. AWB – 20 _ 389 (gepubl. 15-7-2020) (ECLI:NL:RBDHA:2020:6030)