Niet uitbetalen heffingskorting is geen discriminatie

14 juli 2020

Omdat het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen per 1 januari 2015 is afgeschaft, komt een inwoonster van Marokko niet meer in aanmerking voor uitbetaling van de algemene heffingskorting. Het beroep op ongeoorloofde discriminatie slaagt niet.


Een vrouw woont in Marokko en heeft geen inkomen in Nederland. Haar echtgenoot woont in Nederland en heeft wel inkomen in Nederland. Over de jaren 2015 en 2016 heeft de inspecteur nihilaanslagen opgelegd en geen uitbetaling van heffingskorting verleend.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de vrouw recht heeft op uitbetaling van heffingskorting op grond van artikel 8.9 en artikel 8.9a Wet IB 2001. De vrouw beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.
Tot en met 2014 kreeg de vrouw de algemene heffingskorting uitbetaald, omdat zij had gekozen voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Bij de wetswijziging per 1 januari 2015 is deze keuzeregeling vervallen en vervangen door de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Een kwalificerende buitenlands belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere EU-lidstaat of EER-staat, Zwitserland of de BES-eilanden in de belastingheffing van die andere staat wordt betrokken. Nu de vrouw geen inwoner is van de genoemde lidstaten of de BES eilanden, kan zij niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlands belastingplichtige. Om die reden krijgt de vrouw met ingang van 2015 de algemene heffingskorting niet meer uitbetaald. Het hof oordeelt dat hier geen sprake is van een ongeoorloofde discriminatie. Inwoners van Marokko zijn in juridische zin niet vergelijkbaar met inwoners van de EU, de EER, Zwitserland en de BES-eilanden. Het beroep van de vrouw is ongegrond.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een ongerechtvaardigde discriminatie omdat anderen die in het buitenland wonen wel in aanmerking komen voor uitbetaling van de algemene heffingskorting. Bij de totstandkoming van artikel 8.9 Wet IB 2001 heeft de wetgever overwogen dat het kabinet niet (langer) fiscale voordelen aan niet-inwoners wil geven waar dit op grond van het recht van de Europese Unie niet noodzakelijk is (TK 2013-2014, 33 752, nr. 11, p. 74-75).
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid (o.a. ECLI:NL:HR:2013:1211). Voor een beroep op een ongerechtvaardigde discriminatie is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. In bovenstaande casus is geen sprake van een gelijke gevallen omdat inwoners van Marokko geen recht hebben verdragsvrijheden. Er is daardoor geen sprake van ongeoorloofde discriminatie.

Wet: art. 2.58.9 en 8.9a Wet IB 2001art. 25 Verdrag NL-Marokko
Overig: TK 2013-2014, 33 752, nr. 11, p. 74-75
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 02-07-2020, nrs. 20/00016 eb 20/00017 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1997); HR 22-11-2013, nr. 13/01622 (ECLI:NL:HR:2013:1211)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf