HR: dubbele premieheffing voor Rijnvarenden

14 juli 2020

Volgens de Hoge Raad kan dubbele premieheffing niet worden voorkomen door de Rijnvarendenovereenkomst. De overeenkomst bevat geen procedure om te waarborgen dat dubbele heffing achterwege blijft.


Belanghebbende heeft in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2011 tot en met 2013 verzocht om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen. Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013 heeft de inspecteur die vrijstelling niet verleend.
Aan belanghebbende is door de Luxemburgse autoriteiten een E101-verklaring afgegeven voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2004. In de verklaring is opgenomen dat belanghebbende is onderworpen aan de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving. Op verzoek van de inspecteur hebben de Luxemburgse autoriteiten de E101-verklaring met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 ingetrokken. De SVB heeft voor de jaren 2011, 2012 en 2013 A1-verklaringen afgegeven waarin staat dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende over de periode 1 januari 2011 – 31 december 2013.
Voor het hof was in geschil of belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 is vrijgesteld van de heffing van premie volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof oordeelt dat belanghebbende verzekerings- en premieplichtig is in Nederland. De door de SVB afgegeven A1-verklaring is bindend. Het hof vermindert de aanslagen met de in Luxemburg geheven socialeverzekeringspremies.
In cassatie is de vraag aan de orde of er een rechtsgrond is die inhoudt dat door Luxemburg geheven premies moeten worden verrekend met door de inspecteur te heffen premies. Belanghebbende stelt onder andere dat het Rijnvarendenverdrag een dwingende regeling geeft om de verzekerings- en premieplicht van werknemers die werken in twee of meer staten vooraf te coördineren. De staatssecretaris acht verrekening van de premies niet mogelijk.
De Hoge Raad oordeelt dat dubbele premieheffing niet wordt voorkomen door de Rijnvarendenovereenkomst. De Rijnvarendenovereenkomst voorziet voor een geval waarin een Rijnvarende ondanks het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst gevolgen van dubbele heffing ondervindt, niet in een procedure om te waarborgen dat dubbele heffing achterwege blijft. Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt verworpen. Art. 86 van het Rijnvarendenverdrag voorziet voor geschillen tussen verdragsluitende staten slechts in arbitrage op initiatief van die staten.

De afgelopen maanden hebben we veel uitspraken over de premieplicht van Rijnvarenden gezien. De Hoge Raad heeft afgelopen vrijdag arrest gewezen waarbij de staatssecretaris in het gelijk is gesteld.
Bovenstaand arrest gaat over de vraag of de Rijnvarendenovereenkomst een dwingende regeling bevat om dubbele heffing van premie te voorkomen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend (zie ook ECLI:NL:HR:2020:1238). Dit betekent dat Nederland niet verantwoordelijk is voor ongedaanmaking van eventuele dubbele premieheffing. Door het Kamerlid Lodders (2020Z13900) zijn inmiddels vragen stelt welke invloed de uitspraak van de Hoge Raad heeft op de toekomst van het overleg met Luxemburg en voor de oplossing voor de dubbele premieheffing van Rijnvarenden. Daarnaast is gevraagd of aanpassing van het Rijnvarendenverdrag wordt overwogen. Nu de Hoge Raad heeft geoordeeld is de hoop van de Rijnvarenden voor oplossing van de dubbele premieheffing gericht op de politiek.

Wet: art. 86 Rijnvarendenverdrag
Jurisprudentie: HR 10-07-2020, nr. 19/04565 (ECLI:NL:HR:2020:1150), Hof Den Bosch 28-08-2019, nrs. 17/00725 t/m 17/00727 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3141); Rb. Zeeland-West-Brabant 13-09-2017, nr. AWB 16_4332 (ECLI:NL:RBZWB:2017:5909)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf