Gebruikelijk loon niet te laag vastgesteld

07 juli 2020

Doordat de fiscale winst hoger is dan het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon en de bv over voldoende liquide middelen en eigen vermogen beschikt, slaagt de dga er niet in het gebruikelijk loon nog lager vast te laten stellen.


Een bv exploiteert een Bedrijfseconomisch en Organisatie Adviesbureau. De dga van de bv verricht als interim manager diensten aan bedrijven en organisaties. Uit een boekenonderzoek blijkt dat de bv over 2014 ten onrechte niet het gebruikelijk loon aan de dga heeft toegekend. De inspecteur legt een correctieverplichting van € 30.000 op, die de bv niet nakomt. Na bezwaar van de bv stelt de inspecteur het gebruikelijk loon vast op € 25.000 en hij legt uiteindelijk een naheffingsaanslag loonheffingen op van € 11.850 en een vergrijpboete van € 2.962. In geschil voor de rechtbank is het antwoord op de vraag of het gebruikelijk loon terecht en naar een juist bedrag is vastgesteld en of de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat het loon van een werknemer, die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, in beginsel ten minste gesteld moet worden op € 44.000; het gebruikelijk loon. Omdat de man in 2014 dga was en werkzaamheden voor de bv verrichtte, is het gebruikelijk loon op hem van toepassing. De dga moet aannemelijk maken dat uitgegaan moet worden van een lager gebruikelijk loon. Hij voert aan dat de continuïteit, c.q. de solvabiliteits- en liquiditeitspositie van de bv in gevaar komt en dat de gelden nodig zijn voor toekomstige investeringen. De inspecteur voert aan dat de fiscale winst over 2014 € 31.189 bedroeg en dat de omzet uitsluitend afhankelijk was van de inbreng van persoonlijke arbeid van de dga. Door toepassing van de afroommethode zou de gehele winst als gebruikelijk loon moeten gelden. Er is echter een gebruikelijk loon van € 25.000 in aanmerking genomen. Dit bedrag leidt niet tot financiële problemen van de bv, gelet op de behaalde winst, liquide middelen van meer dan € 100.000 en een eigen vermogen van € 48.682. De rechtbank oordeelt dat de bv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een lager gebruikelijk loon dan € 25.000 van toepassing zou moeten zijn. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is ongegrond.
Een vergrijpboete is van toepassing wanneer het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting, die op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald. De inspecteur heeft een boete van 25% opgelegd. De inspecteur wijst erop dat de dga namens belanghebbende optreedt en een achtergrond heeft als registeraccountant. De dga verklaart dat hij deze titel tot 10 jaar geleden gevoerd heeft, daardoor niet fiscaal en juridisch deskundig is en niet op de hoogte was van de gebruikelijk-loonregeling. De rechtbank oordeelt dat hoewel van de dga een meer adequaat optreden had mogen worden verwacht, daaruit nog niet volgt dat hem grove schuld kan worden verweten. Niet aannemelijk is dat de dga aanleiding had zich nader in de regelgeving te verdiepen of nadere inlichtingen in te winnen. Dit volgt ook niet uit de omstandigheid dat de dga als bestuurder van de bv optrad als organisatieadviseur en een opleiding had als registeraccountant. De rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

De afroommethode heeft sinds 2015 haar belang verloren, omdat er sindsdien een vergelijking moet worden gemaakt met het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, waarin een aanmerkelijk belang geen rol speelt.

Wet: art. 12a Wet LB 1964, art. 67f AWR
Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant, nr. AWB – 19_694 (ECLI:NL:RBZWB:2020:1425)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld