Stelling onvoldoende als bewijslast lager gebruikelijk loon

30 juni 2020

Een directeur-grootaandeelhouder dient te bewijzen dat het gebruikelijk loon lager vastgesteld moet worden dan het normbedrag. Het voor de rechter aanvoeren van stellingen als de bewijslast is omgekeerd en verzwaard is daarvoor niet voldoende.


Belanghebbende houdt alle aandelen en heeft daarmee een aanmerkelijk belang in een bv. Deze vennootschap drijft een accountantspraktijk. De aanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2014 zijn ambtshalve vastgesteld nadat belanghebbende, ondanks daartoe te zijn aangemaand, geen aangiften IB/PVV had ingediend. De inspecteur heeft in elk van de jaren een gebruikelijk loon in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De inspecteur beoordeelt de aanslagen vervolgens ambtshalve en vermindert ze met de belastbare inkomsten uit eigen woning.
In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn verminderd. Belanghebbende is van mening dat de aanslagen nog steeds te hoog zijn vastgesteld. De inspecteur concludeert dat de aanslagen correct zijn vastgesteld.
Doordat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, is de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende moet doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Hof Den Bosch oordeelt dat belanghebbende hieraan niet voldoet aangezien hij alleen maar stellingen inneemt zonder enig bewijs te leveren. Belanghebbende heeft werkzaamheden verricht voor een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Op grond van art. 12a Wet LB 1964 is daarmee de gebruikelijk loonregeling van toepassing. Vervolgens stelt het hof vast dat de door de inspecteur gemaakte schattingen van de inkomens redelijk zijn. Hij is bij zijn schattingen namelijk uitgegaan van de cijfers die belanghebbende zelf heeft aangeleverd en heeft terecht steeds het gebruikelijk loon zoals neergelegd in art. 12a Wet LB in aanmerking genomen. Er was voldoende financiële ruimte om een gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Het hoger beroep is ongegrond.

In bovenstaand geschil staat de hoogte van het gebruikelijk loon ter discussie. In art. 12a lid 1 Wet LB is een normbedrag opgenomen. De bewijslast dat het gebruikelijk loon lager is, rust – ook in een regulier situatie – op belanghebbende. Nu de bewijslast in deze zaak is verzwaard, kan belanghebbende niet volstaan met aannemelijk maken dat het gebruikelijk loon lager is, maar zal hij het overtuigend moeten aantonen. Belanghebbende is hierin niet geslaagd.

Wet: art. 12a Wet LB 1964
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 19-6-2020, nrs. 19/00734 tot en met 19/00738 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1848)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf