Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt weer niet

23 juni 2020

Een werkgever, die vanwege uitlatingen van het UWV beroep aantekende tegen de beschikking gedifferentieerde premiepercentage Whk, vangt ook bot bij de Hoge Raad. Ons hoogste rechtscollege is het eens met het oordeel van het hof dat geen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan omdat in een e-mail van en een telefoongesprek met het UWV niet is gesproken over de premieheffing en de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk.


Bij besluit van 9 januari 2013 is aan de ex-werknemer van een werkgever een WIA-uitkering toegekend. De inspecteur heeft zich bij de berekening van de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (hierna: Whk) voor 2016 op deze uitkering gebaseerd. De werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen het toekenningsbesluit van de uitkering. UWV heeft op 27 februari 2013 een e-mailbericht gestuurd. Hierin is UWV ingegaan op ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’. UWV heeft meegedeeld dat de werkgever op dat moment nog geen bezwaar kon maken tegen de eventuele toerekening van de uitkering aan de werkgever. Bovendien meldde UWV dat op 14 februari 2013 al telefonisch was meegedeeld dat, omdat het dienstverband is beëindigd vóór ingangsdatum WIA, de werkgever niet verantwoordelijk is voor re-integratie en de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever. De Hoge Raad overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat de overheid toezeggingen heeft gedaan waaruit betrokkene redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Volgens het hof heeft UWV antwoord gegeven op de vraag of UWV de uitkering op de eigenrisicodrager zou verhalen. Het hof oordeelde dat de mededeling van UWV niet kan worden opgevat als een toezegging waaraan de werkgever het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat bij de premieheffing de uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof geeft geen blijk van miskenning van schending van het vertrouwensbeginsel. Dit wordt niet anders indien UWV bij het doen van de mededeling ten onrechte ervan is uitgegaan dat de werkgever eigen risicodrager was. Dit kwam omdat de werkgever dit zelf had meegedeeld aan UWV. Omdat die melding onjuist was hoefde het hof alleen al daarom de mededeling van UWV niet als een de inspecteur bindende toezegging aan te merken. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

In eerdere instanties hadden de rechtbank en het hof al geoordeeld dat de werkgever geen vertrouwen kon ontlenen aan de uitlatingen van UWV, omdat ‘in het geheel niet is gesproken over de premieheffing, laat staan over de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk, en evenmin heeft belanghebbende uit de uitlatingen redelijkerwijs mogen opmaken dat het daarover ging’, aldus het hof. Zie ook ‘Tevergeefs beroep op vertrouwensbeginsel’.

Wet: art. 38 lid 3 Wfsv
Jurisprudentie: HR 19-6-2020, nr. 19/02177 (ECLI:NL:HR:2020:1069), Hof Arnhem-Leeuwarden 27-3-2019, nr. 18/00743 (ECLI:NL:GHARL:2019:2607), Rb. Noord-Nederland 5-7-2018, nr. LEE 17/3544 (ECLI:NL:RBNNE:2018:2573)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld