Aftrek elders belast is persoonlijk

16 juni 2020

Nederland is verplicht om aan zijn inwoners een aftrek te verlenen op de Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens het artiesten- en sportersartikel in het verdrag in de andere staat mogen worden belast. De aftrek die wordt verleend is echter persoonlijk en komt toe aan de inwoner in wiens inkomen het desbetreffende inkomstenbestanddeel is begrepen.


Belanghebbende is inwoner van Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is werkzaam als DJ en treedt wereldwijd op. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder (hierna: dga) van de in Nederland gevestigde vennootschap B BV (hierna: B). De inkomsten van deze vennootschap bestaan uit een managementvergoeding, royalty’s en vergoedingen voor sponsoractiviteiten. B is eigenaar van alle aandelen in C BV (hierna: C). C sluit overeenkomsten voor de werkzaamheden van de dga als DJ, met uitzondering van de optredens van de dga in de Verenigde Staten van Amerika. C ontvangt de gages van de optredens, betaalt de zakelijke kosten en betaalt een managementvergoeding aan B. De dga ontvangt een vast salaris van B.
De werkzaamheden in de VS verricht de dga vanuit D LLC. De dga is directeur en enig aandeelhouder van D. D wordt voor Nederlandse fiscale doeleinden aangemerkt als een rechtspersoon. In de VS is D een fiscaal transparante vennootschap. De winst van D is in de VS bij de dga persoonlijk belast met federal income tax.
In 2015 heeft belanghebbende opgetreden in landen waar in het bilaterale belastingverdrag een vrijstellingsmethode is opgenomen en in landen waarvoor de verrekenmethode geldt. In de aangifte inkomstenbelasting heeft de dga aftrek elders belast gevraagd op basis van de vrijstellingsmethode en de verrekenmethode. De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld.
De dga heeft vervolgens een verzoek tot ambtshalve vermindering ingediend. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De dga is daartegen in beroep gekomen.
In geschil is of de dga een deel van de ten laste van C geheven bronbelasting ter zake van buitenlandse optredens door de dga op basis van de verrekeningsmethode mag verrekenen met de door de dga verschuldigde inkomstenbelasting. De dga stelt dat een additioneel bedrag van € 39.609 moet worden verrekend. De inspecteur stelt dat de te verrekenen buitenlande bronbelasting juist is vastgesteld.
In navolging van de rechtbank oordeelt het hof dat de dga niet gerechtigd is de ten laste van C geheven buitenlandse belasting te verrekenen met de door de dga verschuldigde inkomstenbelasting. Op grond van het voorkomingsartikel is Nederland verplicht om aan zijn inwoners een aftrek te verlenen op de Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens het artiesten- en sportersartikel in het verdrag in de andere staat mogen worden belast. De aftrek die wordt verleend is persoonlijk, dat wil zeggen dat zij toekomt aan de inwoner in wiens inkomen het desbetreffende inkomstenbestanddeel is begrepen. De dga en C zijn voor de verrekening van belasting niet met elkaar te vereenzelvigen. Zij zijn verschillende (fiscale) personen en belasting die bij de ene persoon is ingehouden kan niet worden verrekend bij een andere persoon. Het hof oordeelt dat de arresten van de Hoge Raad van 9 februari 2007 waarop de dga zich beroept niet van toepassing zijn omdat de feiten in deze zaak anders zijn.
Het hof bevestigt dat de te verrekenen buitenlandse bronbelasting juist is vastgesteld.

De rechtbank en het hof concluderen m.i. terecht dat de bronbelasting die bij C is ingehouden niet verrekenbaar is bij de dga.
In de procedure bij de rechtbank heeft de dga o.a. verwezen naar een zijns inziens vergelijkbare casus van een andere DJ, waarin door inspecteur (na overleg met het Ministerie van Financiën) wel verrekening op de door eiser voorgestane wijze zou hebben toegestaan. De rechtbank oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden. In de hofuitspraak is het gelijkheidsbeginsel niet meer aangevoerd door de dga.

Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 3-6-2020, nr. 19/01073 (ECLI:NL:GHARL:2020:4220), Rb. Gelderland 1-7-2019, nr. 18/4028 (ECLI:NL:RBGEL:2019:2890); HR 9-2-2007, nrs. 40604 (ECLI:NL:HR:2007:AU3577) en 41478 (ECLI:NL:HR:2007:AU3578)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf