Op basis verdrag is aanslag ZVW terecht

09 juni 2020

Als een belastingplichtige in Nederland woont, is het heffingsrecht volgens het Verdrag met Duistland over Duitse pensioenen tot € 15.000 aan Nederland toegewezen. De aanslag ZVW is terecht opgelegd.


Een man woonde in 2014 en in 2016 in Nederland. Hij ontving een uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) en twee pensioenuitkeringen (Deutsche Renteversicherung en Bayerische Versorgungskammer) uit Duitsland. Hij heeft de inkomsten vermeld in zijn aangifte IB/PVV. Na een verzoek om ambtshalve vermindering voor 2014 en bij uitspraak op bezwaar voor 2016 heeft de inspecteur alsnog aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing verleend. Het bezwaar tegen de aanslag Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) heeft de inspecteur afgewezen. In geschil is of de aanslagen IB/PVV 2014 en 2016 en de aanslag ZVW 2016 te hoog zijn omdat Nederland geen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW mag heffen over de uit Duitsland ontvangen uitkeringen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslagen IB/PVV over 2014 en 2016 juist zijn vastgesteld, omdat de inspecteur vermindering ter voorkoming van dubbele belastingheffing aan de man heeft verleend. De man heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat het Belastingverdrag Nederland-Duitsland van 2012 nietig zou zijn, omdat de inkomensgrens van € 15.000 in het Verdrag willekeurig zou zijn. De rechtbank oordeelt dat inkomensgrens niet willekeurig is, maar overeengekomen is als gevolg van bilateraal overleg tussen Nederland en Duitsland. Bovendien is het Verdrag parlementair behandeld en goedgekeurd door de Tweede Kamer. Hierdoor is het Verdrag niet nietig. Door toewijzing van het heffingsrecht over pensioenen tot € 15.000 heeft de man niet de keuze zijn inkomen in de Duitse belastingheffing te laten betrekken. Op grond van de Verordening (EG) nr. 883/2004 geldt in dit geval dat de socialezekerheidswetgeving van de woonplaats (Nederland) van toepassing is, zodat de man premieplichtig is voor de volksverzekeringen. De maatstaf voor heffing is het premie-inkomen van de man. Dit is het belastbare inkomen uit werk en woning, zodat de inspecteur terecht ook de Duitse pensioenen tot het premie-inkomen heeft gerekend. De aanslagen PVV 2014 en 2016 zijn daarom tot de juiste bedragen opgelegd. De man is inwoner van Nederland. Hij is van rechtswege verzekerd voor de Wet langdurige zorg. Op grond van de ZVW is hij daarom verplicht zich te verzekeren voor een zorgverzekering. Hiervoor is hij een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over zijn loon; ook over de Duitse pensioeninkomens. De aanslag ZVW 2016 is dan ook tot het juiste bedrag opgelegd. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep is ongegrond.

Art. 17 lid 1 van het Verdrag Nederland-Duitsland (in werking getreden op 1 januari 2016) bepaalt dat voor pensioenen en andere soortgelijke beloningen, lijfrenten en uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van een sociaalzekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat als uitgangspunt een woonstaatheffing geldt. Op grond van het tweede lid mogen deze inkomsten echter ook in de bronstaat worden belast, maar alleen als het gezamenlijke bruto bedrag van de door de belastingplichtige in een kalenderjaar genoten pensioen- en lijfrentetermijnen of uitkeringen ingevolge het socialezekerheidsstelsel van één van de landen meer bedraagt dan € 15.000 (volgens de MvT).

Wet: art. 17 Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing Nederland-Duitsland, art. 43 lid 2 onderdeel a ten tweede ZVW
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 26-5-2020, nr. 19/00382 (ECLI:NL:GHARL:2020:4173)
Overig: TK 2012–2013, 33 615, nr. 3 (MvT)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld