Feitelijk betalingsmoment bepaalt heffingsrecht pensioen

04 juni 2020

In veel belastingverdragen komt Nederland overeen dat de woonstaat in beginsel heft over een pensioen. Een uitzondering kan gelden als de feitelijke pensioenuitkering vóór de pensioendatum plaatsvindt. Aansluiten bij een andere datum is volgens Hof Den Bosch niet toegestaan.


Een Nederlander werkt voor een Belgische werkgever. Via deze werkgever heeft hij een pensioenverzekering afgesloten. Op 7 februari 2015 ontvangt de man een fiche die 1 mei 2015 als pensioendatum vermeldt. Op die datum mag de man kiezen hoe hij de pensioenuitkering ontvangt. Hij kan kiezen tussen een eenmalige uitkering of een gespreide betaling in de vorm van een rente. De man correspondeert over zijn keuze met de pensioenverzekeraar. Daarnaast vraagt hij de Belastingdienst om een woonlandverklaring. Zo wil de man voorkomen dat België een bronbelasting heft over het pensioen. Op 5 mei 2015 ontvangt de man een eenmalige uitkering. Hij stelt echter dat hij de pensioenuitkering voor wat betreft de verdragswerking heeft genoten vóór de pensioendatum. In dat geval heeft België het heffingsrecht en verleent Nederland een voorkoming van dubbele belasting. Hof Den Bosch ziet echter geen reden om aan te sluiten bij een andere datum, zoals het ingaan van de AOW-uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
De man neemt als subsidiair standpunt in dat men het begrip uitkeringsmoment ruim moet nemen. Door te corresponderen met de pensioenverzekeraar en de fiscus zou de man het pensioen hebben genoten vóór de pensioendatum. Hof Den Bosch verwerpt deze ruime uitleg van het uitkeringsmoment. Het hof oordeelt dat 5 mei 2015 de uitkeringsdatum is. De uitkering heeft dus plaatsgevonden na de pensioendatum. Nederland heeft daarom het exclusieve heffingsrecht.

Bron: Hof Den Bosch 28-05-2020, nr. 19/00773 (gepubl. 02-06-2020) (ECLI:NL:GHSHE:2020:1651)
Wet: art. 1.7 lid 2 onderdeel c en 3.82 onderdeel b Wet IB 2001; art. 18 lid 1 en 3 Verdrag NL-België