Woonplaats niet van belang voor toepassing verdrag

02 juni 2020

Een werknemer die in België woont en die door zijn Nederlandse werkgever wordt uitgezonden naar China, blijft op grond van het Nederlandse sociale zekerheidsverdrag met China in Nederland sociaal verzekerd voor ouderdom, werkloosheid en nabestaanden.


Een werknemer heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. Sinds 1 oktober 2014 werkt hij in Nederland voor een bv en is de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Van 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019 wordt hij door zijn werkgever uitgezonden naar China. Op verzoek van de werknemer verklaart de SVB, op grond van artikel 11a van het besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, dat belanghebbende van 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019 verzekerd is gebleven voor de Nederlandse volksverzekeringen.
De werknemer is het daar niet mee eens. De werknemer stelt dat hij onder de werkingssfeer van het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en China valt en dat hij op grond van het verdrag in Nederland sociaal verzekerd blijft voor de AOW, Anw en WW gedurende zijn werkzaamheden in China. In de beroepsfase stelt de SVB dat de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, op grond van art. 6 van het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en China van toepassing is op de werknemer gedurende zijn detachering in China. De rechtbank overweegt daarbij dat het Verdrag van toepassing is op de situatie van de werknemer. Dat de werknemer in België woont is geen reden om hem een beroep op het Verdrag te ontzeggen. Het Verdrag stelt namelijk niet de voorwaarde dat de werknemer op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen moet wonen. De rechtbank overweegt verder nog dat art. 11 lid 3 onderdeel e EG-Verordening 883/2004 niet van toepassing is. Toepassing van deze bepaling zou namelijk afbreuk doen aan de hoofdregel van de Verordening: toepassing van het werklandbeginsel. Dit beginsel is er op gericht dat voor werknemers die in hetzelfde land werkzaam zijn dezelfde socialezekerheidswetgeving geldt en dezelfde premies verschuldigd zijn. Ook zou er een verschil in behandeling ontstaan ten opzichte van de in Nederland wonende collega’s van de werknemer die naar China worden uitgezonden.
Het beroep is gegrond. De werknemer is van 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019 in Nederland verzekerd gebleven op grond van het Verdrag.

Ondanks dat de SVB een verklaring had afgegeven dat belanghebbende tijdens zijn detachering naar China in Nederland verzekerd is gebleven voor de Nederlandse volksverzekeringen ging belanghebbende toch in beroep. De reden hiervoor is dat belanghebbende van mening is dat hij onder toepassing van het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en China valt. Toepassing van het sociale zekerheidsverdrag geeft belanghebbende recht op sociale verzekeringen inzake ouderdom, werkloosheid en nabestaanden. Deze rechten zijn dus ruimer dan op grond van het besluit. De rechtbank concludeert m.i. terecht dat belanghebbende een beroep kan doen op het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en China en toepassing van het Verdrag niet in strijd is met de EG-Verordening 883/2004.
Opvallend is verder dat de SVB haar standpunt in de beroepsfase wijzigt. De SVB had een verklaring afgegeven dat belanghebbende tijdens zijn detachering naar China in Nederland verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen. In de beroepsfase stelt de SVB dat op belanghebbende de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is op grond van art. 11 lid 3 onderdeel e EG-Verordening 883/2004. Dit standpunt faalt.

Jurisprudentie: Rb. Amsterdam 7-4-2020, nr. 19/746 (ECLI:NL:RBAMS:2020:2661)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf