Bemiddeling blijkt toch dienstbetrekking

26 mei 2020

Omdat een thuiszorgster niet voor eigen rekening en risico werkzaamheden heeft verricht, is geen sprake van winst uit onderneming. Het feit dat het bedrijf bindende aanwijzingen kon geven is voldoende om te stellen dat sprake is van een gezagsverhouding. De inkomsten dienen te worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.


Een thuiszorgster verricht in 2013 werkzaamheden op grond van een bemiddelingsovereenkomst met een bedrijf bij zorgaanvragers waarmee het bedrijf een zorgovereenkomst heeft afgesloten. In 2013 ontvangt zij € 33.344 bruto van het bedrijf voor haar werkzaamheden. De Belastingdienst heeft in 2013 een VAR-wuo aan haar verstrekt, maar deze is per 15 oktober 2013 weer ingetrokken na een onderzoek bij het bedrijf. In haar aangifte IB/Pvv geeft de thuiszorgster haar inkomsten van het bedrijf niet aan. De inspecteur corrigeert haar aangifte met de bruto inkomsten van het bedrijf als loon uit dienstbetrekking. In geschil voor het hof is de fiscale kwalificatie van de inkomsten, ontvangen van het bedrijf. Rechtbank Noord-Holland heeft in eerdere instantie geoordeeld dat er geen sprake is van winst uit onderneming. De thuiszorgster is namelijk niet geslaagd in het aannemelijk maken dat zij niet verplicht was de zorg persoonlijk te verrichten of dat zij zich zonder toestemming van het bedrijf mocht laten vervangen door een andere thuiszorgster. Ook heeft zij geen feiten en omstandigheden aangedragen die leidden tot de conclusie dat zij debiteuren- en ondernemingsrisico liep. De rechtbank oordeelde dat wel sprake was van loon uit dienstbetrekking. Er was namelijk sprake van een gezagsverhouding tussen de thuiszorgster en het bedrijf, omdat het bedrijf verantwoordelijk bleef voor de kwaliteit van de geleverde zorg en stelde het zorgplan op waaraan de thuiszorgster zich diende te houden. Daarnaast was er sprake van de verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten. De thuiszorgster voldeed aan de door het bedrijf gestelde kwaliteitseisen. Zij zou zich daardoor niet zonder toestemming van het bedrijf, dat verantwoordelijk bleef voor de kwaliteit van zorg en daarvoor aansprakelijk was, kunnen laten vervangen door een willekeurige derde. Bovendien ontving zij de vergoeding voor haar werkzaamheden van het bedrijf zelf, omdat zij niet zelf over een declaratierecht bij de zorgaanvragers beschikte. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de bruto-inkomsten terecht heeft gekwalificeerd als loon uit dienstbetrekking. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

In een vraag- en antwoordenbrief van 6 mei 2020 is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingegaan op signalen, die erop wijzen dat bij de invoering van de WAB een aantal werknemers is gevraagd om verder te werken als zzp’er met dezelfde werkzaamheden. In deze brief geeft de minister aan dat ook deze signalen worden meegenomen door de Belastingdienst bij het Toezichtsplan Arbeidsrelaties; de handhaving die sinds het vierde kwartaal wordt uitgevoerd door de Belastingdienst op arbeidsrelaties.

Wet: art. 10 Wet LB 1964
Jurisprudentie: Hof Amsterdam 10-10-2019, nr. 18/00404 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3646), Rb. Noord-Holland 30-05-2018, nr. HAA 17/3168
Overig: TK 2019-2020, beantwoording Kamervragen

Loonzaken/Jacqueline Nietveld