Wederom internationaal verkeer in verdragen

19 mei 2020

In tegenstelling tot Rechtbank Noord-Nederland is Rechtbank Noord-Holland van mening dat internationaal verkeer in het verdrag met Zwitserland moet worden uitgelegd op basis van het OESO-commentaar waaruit blijkt dat er sprake moet zijn van inkomen in verband met het transport van personen of zaken.


Belanghebbende woont in Nederland en is in loondienst bij een in Zwitserland gevestigde werkgever. Personeel van deze vennootschap wordt tewerkgesteld op schepen van gelieerde vennootschappen. De diensten zijn het leggen van pijpleidingen en het verwijderen van platforms welke gebruikt worden in de offshore olie- en gasindustrie. Belanghebbende heeft in 2015 78 dagen in Brazilië en 62 dagen in Australië gewerkt.
In geschil is of belanghebbende voor haar arbeidsinkomen in 2015 recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van art. 15 lid 3 van het belastingverdrag met Zwitserland. Belanghebbende beantwoord deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.
Voor toepassing van art. 15 lid 3 van het belastingverdrag met Zwitserland dient sprake te zijn van internationaal verkeer. Voor de uitleg van de uitdrukking ‘internationaal verkeer’ sluit de rechtbank aan bij het OESO-commentaar waaruit blijkt dat er sprake moet zijn van inkomen in verband met het transport van personen of zaken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat Zwitserland heffingsrecht toekomt. Dit betekent dat Nederland als woonstaat bevoegd is het inkomen van belanghebbende in de heffing van inkomstenbelasting te betrekken voor zover geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend dient te worden op grond van het belastingverdrag met Australië.

De uitleg van het begrip ‘internationaal verkeer’ in belastingverdragen is al diverse malen in geschil geweest. Ik verwijs in dit verband naar de uitspraken van Rechtbank Breda (ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2558), Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:8399, ECLI:NL:RBDHA:2019:8396, ECLI:NL:RBDHA:2019:8401) en Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2020:1213, ECLI:NL:RBNNE:2020:1446, ECLI:NL:RBNNE:2020:1445). Het oordeel van de rechtbanken is niet eenduidig. Dit leidt tot onzekerheid voor belastingplichtigen.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt in bovenstaande zaak gelijkluidend aan Rechtbank Breda en Den Haag. Deze rechtbanken oordelen dat sprake moet zijn van inkomen in verband met het transport van personen of goederen van A naar B. Nu daar in deze zaak geen sprake van is, is niet voldaan aan de definitie van ‘internationaal verkeer’.
Rechtbank Noord-Nederland heeft in soortgelijke zaken tegengesteld geoordeeld. Rechtbank Noord-Nederland stelde voorop dat een verdragsbepaling grammaticaal, wetshistorisch en teleologisch kon worden uitgelegd. De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat de teleologische interpretatie het meest recht doet aan de bedoeling van de verdragsbepaling. Op basis van deze interpretatie moest de term ‘in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd’ daarom zo uitgelegd worden dat alle activiteiten van schepen en vliegtuigen waarbij een of meerdere landsgrenzen werden overschreden, daaronder vielen. Op grond van art. 15 lid 3 van het belastingverdrag is dan het heffingsrecht over het looninkomen volledig toegewezen aan Zwitserland.
Tegen bovengenoemde uitspraak is geen beroep ingesteld. Bij Hof Den Haag en Arnhem-Leeuwarden is inmiddels wel hoger beroep ingesteld. Hopelijk mag de Hoge Raad zich in de toekomst uitspreken over de uitleg van het begrip ‘internationaal verkeer’ zodat de belastingplichtige duidelijkheid krijgt.

Wet: art. 15 lid 3 Verdrag Nederland - Zwitserland
Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 20-02-2020, nr. AWB-19_1981(ECLI:NL:RBNHO:2020:3484)
Meer info: Uitleg begrip internationaal verkeer (31-03-2020)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf