Geen schending onschuldpresumptie

12 mei 2020

Daar het oordeel van het hof dat de stukadoors in dienstbetrekking waren bij de ondernemer geen oordeel is over het oordeel van de strafrechter dat de facturen niet valselijk zijn opgemaakt, is er geen sprake van schending van de onschuldpresumptie.


Een ondernemer is sinds 2008 eigenaar van een stukadoorsbedrijf, een eenmanszaak. In 2010 is stukadoorsbedrijf F VOF, met vijf firmanten, opgericht. De firmanten, allen stukadoors en Bulgaar, werkten (één uitgezonderd) vóór de oprichting van de VOF al voor de ondernemer. De VOF heeft voor de werkzaamheden van de firmanten bedragen gefactureerd aan de eenmanszaak. Naar aanleiding van een fraudemelding is bij de ondernemer een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd. De ondernemer werd verdacht van het valselijk opmaken van facturen (valsheid in geschrifte) en het opzettelijk onjuist en onvolledig indienen van aangifte loonheffing. Wegens onvoldoende strafrechtelijk bewijs is dit laatste door de officier van justitie geseponeerd. In 2016 heeft de strafkamer van rechtbank Gelderland de ondernemer van valsheid in geschrifte vrijgesproken. Op basis van deze twee zaakdossiers en de getuigenverklaringen van zowel de stukadoors, opdrachtgevers en de boekhouder, heeft de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen aan de ondernemer opgelegd ad € 117.866. In geschil is of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en, zo ja, of de naheffingsaanslag desondanks moet worden vernietigd. Indien namelijk alsnog twijfel wordt geuit over het sepot of de vrijspraak zou dit in strijd zijn met de onschuldpresumptie op grond van het EVRM. Het hof overweegt dat voor het opleggen van een naheffingsaanslag loonheffingen sprake moet zijn van een (fictieve) dienstbetrekking tussen de ondernemer en de stukadoors uit de VOF. Daarvoor is noodzakelijk dat de stukadoors persoonlijk arbeid verrichtten, er sprake was van een gezagsverhouding tussen de ondernemer en de stukadoors en dat de ondernemer verplicht was loon te betalen. Uit de feiten volgt dat de stukadoors weliswaar als firmant van de VOF stonden geregistreerd, maar dat de VOF mede is opgericht zodat zij niet meer zwart voor de ondernemer hoefden te werken. De ondernemer verrichtte alle ondernemershandelingen voor de VOF en voor de stukadoors was er in vergelijking met de situatie vóór oprichting van de VOF niets veranderd. De stukadoors waren verplicht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de ondernemer betaalde hen daarvoor een vergoeding per m2. Uit de getuigenverklaringen blijkt ook dat de ondernemer de stukadoors instrueerde en dat hij toezicht hield. Klachten moesten de stukadoors in opdracht van de ondernemer oplossen en de ondernemer bepaalde de werktijden. Hierdoor was er tevens sprake van een gezagsverhouding tussen de ondernemer en de stukadoors. Het hof oordeelt dat de stukadoors in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot de ondernemer. Niet in geschil is daarom dat de ondernemer inhoudingsplichtig was; hetzelfde geldt voor de hoogte van de naheffingsaanslag. Met betrekking tot de twijfel aan de juistheid van de vrijspraak en het sepot die dit oordeel tot gevolg heeft, overweegt het hof als volgt. De belastingrechter is niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een strafzaak met hetzelfde feitencomplex. In het geval er echter een link is met de strafzaak mag de belastingrechter geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van de verdachte of een sepot in een strafzaak. Dit verband is aanwezig, omdat de inspecteur zich bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als in de strafzaak. In dit geval is er geen sprake van schending van de onschuldpresumptie. Het oordeel dat de stukadoors in dienstbetrekking waren bij de ondernemer is geen oordeel over het oordeel van de strafrechter dat de facturen niet valselijk zijn opgemaakt. De gronden waarop de officier van justitie de zaak over het vermoedelijk opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangifte loonheffing heeft geseponeerd zijn niet in het dossier te vinden. Doordat dit niet is na te gaan doet het oordeel van het hof dat er sprake is van een dienstbetrekking, geen twijfel ontstaan over de juistheid van die sepotbeslissing. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de ondernemer ongegrond is. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De onschuldpresumptie, het fiscaal vermoeden van onschuld bij strafrechtelijke vrijspraak, is onder meer in het geding geweest in de zaak Melo Tadeu tegen Portugal.

Wet: art. 6 Wet LB 1964, art. 6 lid 2 EVRM
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 15-4-2020, nr. 19/00277 t/m 19/00280, (ECLI:NL:GHARL:2020:2992), Rb. Gelderland 29-1-2019, nr. AWB 17/4903 t/m 17/4906, (ECLI:NL:RBGEL:2019:404); EHRM 23-10-2014, nr. 27785/10, (ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld