Pensioen voor toepassing verdrag splitsen

07 april 2020

Als een pensioen deels in privaatrechtelijke en deels in publiekrechtelijke dienstbetrekking is opgebouwd, moet een splitsing gemaakt worden voor de toewijzing van de belastingheffing onder het belastingverdrag.


Belanghebbende is gepensioneerd en woonachtig in Frankrijk. Hij geniet een invaliditeitsuitkering en een nabestaandenpensioen, beiden van het ABP. Belanghebbende was voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid in dienst van de gemeente X. Belanghebbende heeft eerder voor verschillende privaatrechtelijke en publiekrechtelijk werkgevers gewerkt. Het nabestaandenpensioen vloeit voort uit de pensioenregeling van zijn overleden echtgenote. De echtgenote werkte tot haar overlijden als onderwijzeres. Gedurende haar loopbaan werkte de echtgenote voor zowel openbare als bijzondere scholen in Nederland en enige tijd op Sint-Maarten.
In geschil is in hoeverre Nederland loonbelasting mag heffen over deze uitkeringen gelet op het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk. De inspecteur stelt dat Nederland op grond van art. 19 van het belastingverdrag het volledige heffingsrecht heeft over de invaliditeitsuitkering en het heffingsrecht heeft over 86,3% van het nabestaandenpensioen. Belanghebbende bestrijdt dat.
Gelet op art. 18 en 19 van het belastingverdrag is van belang in hoeverre de uitkering/het pensioen wordt betaald ter zake van bewezen diensten aan de Nederlandse overheid. Als het gaat om een pensioenuitkering op basis van een regeling waarbij de aanspraak in de tijd wordt opgebouwd, dan moet een toerekening plaatsvinden naar de opbouw in de periode in overheidsdienst en naar die in de periode in particuliere dienst.
Ten aanzien van de invaliditeitsuitkering is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een regeling waarbij een aanspraak in de tijd wordt opgebouwd en waarbij ook tot uitkering wordt overgegaan indien men niet meer in dienst is op het moment dat het feit zich voordoet dat tot een uitkering zou kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat in een dergelijk geval voor de bepaling van het heffingsrecht slechts relevant is wie de werkgever was toen de arbeidsongeschiktheid ontstond, in dit geval de Nederlandse overheid. Het heffingsrecht komt dan op basis van art. 19 van het belastingverdrag aan Nederland toe.
Met betrekking tot het nabestaandenpensioen is relevant dat per 1 juli 1999 de pensioenregeling van de echtgenote van belanghebbende is gewijzigd. Vóór deze wijziging werd het recht op nabestaandenpensioen jaarlijks opgebouwd en ging dit recht bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling niet verloren. Vanaf 1 juli 1999 bestond als uitgangspunt alleen recht op een nabestaandenpensioen indien de echtgenote ten tijde van haar overlijden nog deelnam aan de pensioenregeling. Het nabestaandenpensioen dat ziet op de periode voor de wijziging werd deels opgebouwd in een private dienstbetrekking. Het heffingsrecht over dit deel is ingevolge art. 18 van het belastingverdrag aan Frankrijk toegewezen. De berekening van dit deel op 13,7% is niet betwist. In zoverre is het heffingsrecht beperkt. Het andere deel komt op basis van art. 19 van het belastingverdrag aan Nederland toe. Het deel van het nabestaandenpensioen dat is gebaseerd op de regeling na de wijziging is als uitgangspunt vergelijkbaar met de invaliditeitsuitkering; er is geen sprake van een aanspraak die jaarlijks wordt opgebouwd zodat slechts relevant is wie de laatste werkgever van de echtgenote was. Dat zou anders zijn indien sprake is geweest van omzetting van het ouderdomspensioen in het nabestaandenpensioen, maar belanghebbende heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Aangezien de laatste werkgever van de echtgenote van publiekrechtelijke aard was, komt het heffingsrecht over dit deel aan Nederland toe.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere vrijstelling dan 13,7% van het nabestaandenpensioen. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

De toerekening van pensioenen in grensoverschrijdende situaties kan een complexe materie zijn. Indien het pensioen deels in privaatrechtelijke en deels in publiekrechtelijke dienstbetrekking is opgebouwd zal een splitsing gemaakt moeten worden voor de toewijzing onder het belastingverdrag. Op het pensioen opgebouwd tijdens de privaatrechtelijke dienstbetrekkingen is art. 18 van het belastingverdrag van toepassing. Op het pensioen opgebouwd tijdens de publiekrechtelijke dienstbetrekkingen is art. 19 van het belastingverdrag van toepassing. Om deze splitsing te kunnen maken is het belangrijk dat de belastingplichtige relevante stukken kan overleggen om zijn standpunt te onderbouwen.

Wet: art. 18 en 19 Verdrag Nederland – Frankrijk
Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant 13-3-2020, nrs. BRE 18/5538 en BRE 19/5492 tot en met 19/5495 (ECLI:NL:RBZWB:2020:1185)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf