Lage sectorpremie correct toegepast

18 februari 2020

Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst staat de omvang van de arbeid voor minimaal een aaneengesloten jaar vast. Daar de minderuren-clausule maar zes maanden mag worden toegepast, heeft de werkgever terecht het lage sectorpremie toegepast.

Een werkgever is ingedeeld in sector 001.Agrarisch bedrijf. Met zijn werknemers heeft hij drie soorten schriftelijke arbeidsovereenkomsten gesloten:

  • een overeenkomst voor bepaalde tijd;

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd;

  • een overeenkomst voor een bepaald project.

In de arbeidsovereenkomsten is een clausule opgenomen die bepaald dat wanneer de werknemer meer uren heeft gewerkt dan op basis van zijn arbeidsovereenkomst was overeengekomen, die uren worden uitbetaald, daarover vakantietoeslag wordt betaald of vakantiedagen worden opgebouwd. Indien de werknemer in een periode van 4 weken minder uren heeft gewerkt dan de overeengekomen uren, dan worden de minderuren niet uitbetaald. Dit laatste gedurende maximaal zes maanden. In alle arbeidsovereenkomsten is een arbeidsduur per week van meestal 30 of 40 uur opgenomen. Tijdens een boekenonderzoek constateert de inspecteur dat de werkgever ten onrechte het lage sectorpremiepercentage heeft toegepast. Bovendien past de werkgever veelal de clausule met betrekking tot de minderuren ook toe na de eerste zes maanden bij alle arbeidsovereenkomsten.

Rechtbank Den Haag heeft overwogen dat in deze zaak op grond van de Wfsv en het Besluit Wfsv het lage sectorpremiepercentage geldt voor werknemers waarmee een schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten. De werknemers moeten daarbij ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd bij de werkgever in dienstbetrekking zijn. Indien (onder meer) echter de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in de schriftelijke arbeidsovereenkomst niet of niet eenduidig is vastgesteld, is het lage sectorpremiepercentage niet van toepassing. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij een nul-urencontract of een oproepcontract waarbij de omvang van de arbeidsduur niet is vastgesteld. Met deze bepalingen wordt beoogd werkgevers met veel seizoensmatige en kortdurende werkloosheid te stimuleren werknemers een dienstverband voor langere tijd aan te bieden. Hierdoor wordt de instroom in de WW voorkomen. De rechtbank oordeelt dat de arbeidsovereenkomsten niet voldoen aan de voorwaarde dat de omvang van de te verrichten arbeid daarin eenduidig is vastgelegd, vanwege de clausule met betrekking tot de minderuren. Uit de clausule kan niet worden opgemaakt hoeveel uren er zal worden gewerkt en voor welke periode. De arbeidsovereenkomsten bieden de mogelijkheid van perioden zonder werk, ondank dat in de arbeidsovereenkomst een arbeidsduur van 30 of 40 uur per week is opgenomen. Dat de clausule met betrekking tot de minderuren na een half jaar vervalt maakt niet dat de arbeidsovereenkomsten na een half jaar alsnog voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van het lage sectorpremiepercentage, omdat de beoordeling van de omvang van de arbeidsduur op het moment van het sluiten van de arbeidsovereenkomst moet plaatsvinden. Wanneer de arbeidsduur op dat moment niet eenduidig is, is het hoge sectorpremiepercentage van toepassing op de volle looptijd van het dienstverband. Volgens de rechtbank is de naheffing van het verschil tussen het hoge en het lage sectorpremiepercentage terecht opgelegd.

Het hof overweegt dat de clausule met betrekking tot de minderuren gedurende maximaal zes maanden van het dienstverband mag worden toegepast. Na afloop daarvan moet de werkgever de overeengekomen arbeidsduur uitbetalen, ook al werkt de werknemer minder uren. Het hof oordeelt dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten de arbeidsduur na de termijn van zes maanden vaststaat. Na zes maanden hebben de werknemers recht op uitbetaling van de overeengekomen arbeidsduur. Hierdoor staat de omvang van de arbeid voor minimaal een aaneengesloten jaar reeds bij het sluiten van de overeenkomst vast. Hiermee wordt voldaan aan het bepaalde in de Wfsv en het Besluit Wfsv, zodat gedurende de gehele dienstbetrekking die meer dan een jaar duurt, het lage sectorpremiepercentage van toepassing is. De bedoeling van de premiedifferentiatie ziet op de stimulans van werkgevers met veel seizoensmatige en kortdurende werkloosheid de bedrijfsprocessen en de organisatie van arbeid zodanig in te richten dat aan werknemers meer continuïteit wordt geboden en instroom in de WW wordt voorkomen. De werkgever handelt juist in lijn met deze bedoeling. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Met ingang van 1 januari 2020 zijn de sectorfondsen opgeheven en is er geen (gedifferentieerd) sectorpremiepercentage verschuldigd door werkgevers. Op grond van de WAB zijn werkgevers sindsdien een gedifferentieerde premie Awf verschuldigd, waarbij de werkgever in beginsel alleen het lage premiepercentage Awf mag toepassen over het loon van de werknemer waarmee hij een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor onbepaalde tijd, niet zijnde een oproepovereenkomst.

Wet: art. 28 lid 1 Wfsv, art. 2.3 lid 2 Besluit Wfsv
Jurisprudentie: Hof Den Haag 21-1-2020, nr. BK-19/00219 (ECLI:NL:GHDHA:2020:122), Rb. Den Haag 22-1-2019, nr. SGR 18/4859 (ECLI:NL:RBDHA:2019:775)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld