Verzekeringsuitkering belast bij nabestaanden

18 februari 2020

De erfgenamen van een slachtoffer van de MH17-ramp moeten loonbelasting betalen over een verzekeringsuitkering die zij hebben ontvangen. De uitkering moet worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Op 17 juli 2014 overleed de zuster van belanghebbende. Zij was aan boord van het vliegtuig met vluchtnummer MH17. Zij was in dienstbetrekking bij een werkgever waarvoor zij veelvuldig (internationale vlieg)reizen moest maken. Hiervoor heeft haar werkgever een zakelijke reis- en ongevallenverzekering voor haar afgesloten. Op grond van deze verzekering is aan haar drie broers en twee zusters ter zake van haar overlijden een bedrag ad $ 500.000 uitgekeerd, waarvan $ 100.000 aan belanghebbende. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag met belastingrente aan belanghebbende opgelegd, omdat hij de uitkering aanmerkte als loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander. Hij heeft de uitkering tot haar belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. Daarbij heeft hij de vrijstelling van de overlijdensuitkering van drie maal het loon over een maand toegepast voor alle gerechtigden tezamen. Belanghebbende meent:

  1. dat de aanspraak en uitkering van de verzekering niet tot het loon behoren wegens onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking.

  2. dat de uitkering niet tot het loon behoort, omdat de aanspraak en de uitkering naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden aangemerkt.

  3. dat de vrijstelling van de overlijdensuitkering bij elke gerechtigde ten volle van toepassing is en niet moet worden verdeeld over de gerechtigden.

Het hof oordeelt dat de werkgever de verzekering heeft gesloten ter uitvoering van een bepaling in de arbeidsovereenkomst. Het recht op uitkering uit die verzekering is een aanspraak in de zin van de Wet LB 1964. Deze aanspraak behoort niet tot het loon, zodat de uitkeringen wel tot het loon behoren. Ten tijde van de aanspraak en de uitkering paste de werkgever de werkkostenregeling nog niet toe en met betrekking tot de uitkering geldt dat de verzekeringsmaatschappij geen inhoudingsplichtige was. Dit betekent dat in het betreffende jaar de vrijstelling gold voor vergoedingen en verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. De inspecteur wijst er nog op dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het voor de toepassing van deze vrijstelling moet gaan om min of meer toevallige voordelen die niet leiden tot een aanmerkelijk privévoordeel bij de werknemer. Het hof overweegt dat het gaat om een aanzienlijke uitkering, die aan haar broers en zusters toekwam, die niet van haar inkomen afhankelijk waren. Het hof oordeelt dat gezien de aard van de werkzaamheden die de zuster voor haar werkgever moest verrichten, waarvoor zij vele internationale vliegreizen moest maken, niet kan worden gezegd dat een causaal verband met de dienstbetrekking ontbreekt om naar algemene maatschappelijke opvattingen als beloningsvoordeel te worden ervaren. Bovendien gaat het om een aanzienlijk bedrag, waardoor de vrijstelling voor uitkeringen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren, niet van toepassing is. Het hof oordeelt verder dat de uitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking van de overleden zuster van belanghebbende kwalificeert. Bij de vrijstelling voor uitkeringen bij overlijden van driemaal het loon over een maand gaat het om de dienstbetrekking van de overleden zuster. Daarom wordt voor het bepalen van de hoogte van de vrijstelling ook aangesloten bij dat loon en ligt het voor de hand de vrijstelling slechts eenmaal toe te passen ook al wordt de uitkering over de verschillende gerechtigden verdeeld. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

De reisverzekering, die het overlijdensrisico dekt maakte deel uit van afspraken die bij de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt. Hierdoor ontstond er een aanspraak bij de overleden zuster, die op grond van art. 11 lid 1 onder h Wet LB was vrijgesteld. De uitkering bij overlijden is vrijgesteld voor zover deze niet meer bedraagt dan driemaal het loon van de overleden zuster over een maand.

Wet: art. 10 lid 2 en art. 11 lid 1 onder h en onder m Wet LB 1964
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 28-1-2020, nr. 18/01070 (ECLI:NL:GHARL:2020:790), Rb. Gelderland 9-10-2018, nr. AWB 17/3391 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4322)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld