Ontslagvergoeding is geen immateriële schade

11 februari 2020

Een ontslagvergoeding vanwege het beëindigen van een dienstbetrekking moet worden belast als loon uit dienstbetrekking, ongeacht of er sprake is van een vergoeding voor immateriële of materiële schade.

Een docent is vanaf 23 maart 2000 tot 1 februari 2016 in dienst geweest van de Hogeschool als docent. Door spanningen, veroorzaakt door het niet doorgroeien in salaris en een hoge werkdruk, kampt de docent met burn-outklachten en heeft hij zich ziek gemeld. Na een korte periode een andere functie te hebben geprobeerd heeft de docent zich wederom ziek gemeld vanwege burn-outklachten. De arbeidsovereenkomst is daarna ontbonden door middel van een vaststellingsovereenkomst. Aan de docent is een beëindigingsvergoeding toegekend van € 107.324 bruto.
In geschil is of de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk moet worden aangemerkt als niet tot het loon behorende vergoeding voor geleden immateriële schade. De docent beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

De docent stelt dat een deel van deze beëindigingsvergoeding ziet op de vergoeding van door hem geleden immateriële schade en daardoor niet is belast. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een ontslagvergoeding ter gelegenheid van het beëindigen van een dienstbetrekking behoort te worden belast als loon uit dienstbetrekking, ongeacht of er sprake is van een vergoeding voor immateriële of materiële schade. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft het geval waarin de ontslagvergoeding geen of onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om daaruit als genoten te worden aangemerkt. Een vergoeding verstrekt wegens aan de afwikkeling van een dienstbetrekking inherent psychisch leed valt niet onder deze uitzondering. De bewijslast dat deze uitzondering van toepassing is rust op de docent. De docent slaagt niet in deze bewijslast. In de overeenkomst met de ex-werkgever stond dat de vergoeding was bedoeld voor de aanvulling van een elders lager te verdienen loon of uitkering. Het hof leidde hieruit af dat de voormalige werkgever van de docent met de beëindigingsvergoeding niets anders had beoogd dan toekomstig loon- of pensioeninkomen aan te vullen. Dergelijke vergoedingen behoorden op grond van artikel 3.82 Wet IB 2001 tot het loon. Het hof verklaarde het hoger beroep van de docent ongegrond. De docent ging in cassatie, maar de Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).

De uitspraak is niet verrassend. Het hof concludeert in navolging van de rechtbank dat de beëindigingsvergoeding bedoeld is om toekomstig loon- of pensioeninkomen aan te vullen en daarmee tot het loon behoort. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie naar mijn mening terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Wet art. 10 Wet LB 1964, art. 3.81 en 3.82 Wet IB 2001
Jurisprudentie: HR 17-01-2020, nr.19/04423 (ECLI:NL:HR:2020:53), Hof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2019, nr. 18/00710 (ECLI:NL:GHARL:2019:6653), Rb. Gelderland 3-07-2018, nr. AWB-18_1096 (ECLI:NL:RBGEL:2018:2882)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf