Wie had de beschikking over de bestelauto?

14 januari 2020

Indien meerdere werknemers voor het werk een bestelauto doorlopend afwisselend gebruiken moet de werkgever in beginsel de normale regeling voor privégebruik auto toepassen. Een uitzondering geldt indien het moeilijk is de regeling individueel toe te passen.

Bij een aannemersbedrijf zijn ongeveer twintig tot dertig werknemers werkzaam. De inspecteur heeft in 2016 een controle naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 ingesteld, waarbij onder meer het privégebruik auto is gecontroleerd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de werkgever voor een drietal bestelauto’s voor de loonheffing de eindheffing doorlopend afwisselend gebruik (art. 31 lid 1 onderdeel d Wet LB 1964) heeft toegepast. De bestelauto’s worden doorgaans gebruikt door een vast tweetal werknemers met wie de werkgever gebruikersovereenkomsten heeft gesloten. Verder komt het voor dat een andere werknemer, niet behorende tot het vaste tweetal, de bestelauto bestuurt of meerijdt.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de loonheffing opgelegd over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 voor het privégebruik auto. In geschil is de vraag of de werkgever ter zake van de bestelauto’s de regeling doorlopend afwisselend gebruik mag toepassen. Niet in geschil is dat de bestelauto’s overdag doorlopend afwisselend worden gebruikt door twee werknemers. Het geschil ziet op de vraag of sprake is van dermate afwisselend gebruik dat bezwaarlijk kan worden vastgesteld aan wie de bestelauto ter beschikking is gesteld. De werkgever beantwoordt deze vraag bevestigd en de inspecteur ontkennend.

Aangezien de werkgever overeenkomsten heeft gesloten met de desbetreffende werknemers omtrent het gebruik van de bestelauto’s en daarin is opgenomen dat de bestelauto’s tot 500 km per jaar ook voor privédoeleinden mogen worden gebruikt, de bestelauto’s worden meegenomen naar huis door de werknemers en niet achtergelaten worden op een afgesloten bedrijfsterrein, is sprake van het ter beschikking stellen van de bestelauto’s aan de desbetreffende werknemers. Indien de bestelauto vanwege de aard van het werk doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers wordt gebruikt, mag het privégebruik door middel van een eindheffing van € 300 bij de werkgever belast worden. Hof Den Haag oordeelt dat niet is na te gaan wie, wanneer, gedurende welke rit met welk doel, naar of van werk, privé of zakelijk, de auto bestuurt en gebruikt. Daarmee is de bestelauto doorlopend afwisselend in gebruik bij twee of meer werknemers van wie bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die auto ter beschikking is gesteld.

De werkgever mag de regeling van art. 31 lid 1 onderdeel d Wet LB 1964 (eindheffing doorlopend afwisselend gebruik) toepassen. Het hof verwerpt het hoger beroep van de inspecteur.

Over het privégebruik auto wordt veelvuldig geprocedeerd. Het betreft meestal feitelijke beslissingen. Ook in deze uitspraak gaat het om de beoordeling van de feiten.

Indien twee of meer werknemers een bestelauto doorlopend afwisselend gebruiken door de aard van het werk, moet de werkgever in beginsel de normale regeling voor privégebruik auto toepassen. Een uitzondering geldt indien het moeilijk is de regeling individueel toe te passen. Zowel de rechtbank als het hof concluderen op basis van de feiten dat in deze situatie moeilijk kan worden vastgesteld wie, wanneer de beschikking heeft gehad over de bestelauto. Daarom mag de eindheffing van art. 31 lid 1 onderdeel d Wet LB 1964 worden toegepast.

Wet: art. 31 lid 1 onderdeel d Wet LB 1964
Jurisprudentie: Hof Den Haag 19-11-2019, Bk-18/00955 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3152); Rb. Den Haag 7-08-2018, AWB - 18 _ 1842 (ECLI:NL:RBDHA:2018:9546)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf