Regeling openbaarmaking vergrijpboeten beroepsbeoefenaren

07 januari 2020

Financiƫn heeft een besluit gepubliceerd waarin regels zijn opgenomen betreffende beschikkingen en besluiten tot openbaarmaking van wegens opzettelijk medeplegen aan een beroepsbeoefenaar opgelegde vergrijpboeten.

In de toelichting bij het besluit wordt aangegeven dat de maatregel terughoudend zal worden toegepast omdat openbaarmaking ingrijpende gevolgen voor de betreffende overtreder kan hebben. Terughoudendheid is op haar plaats omdat openbaarmaking een uitzondering is op de wettelijke geheimhoudingsplicht die op de inspecteur rust. Openbaarmaking is alleen bedoeld voor ernstige gevallen van belastingontduiking en toeslagfraude waarbij aan een overtreder een vergrijpboete is opgelegd. Er moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet van de overtreder.
In de ministeriƫle regeling wordt aangegeven aan de hand van welke meer concrete factoren de belangafweging plaatsvindt. Allereerst dient de inspecteur het persoonlijke belang van de overtreder bij geheimhouding af te wegen tegen het publieke belang bij openbaarmaking. De volgende factoren moeten in ieder geval in aanmerking worden genomen:

  1. de hoogte van de boete, hierbij gaat het vooral om het toepasselijke boetepercentage omdat in dat percentage de ernst van de overtreding betekenisvoller tot uitdrukking komt;

  2. onherroepelijk vaststaande bestuurlijke boeten als bedoeld in artikel 67r lid 1 AWR, onderscheidenlijk artikel 42a lid 1 AWIR, (recidive). Er geldt in beginsel geen termijn voor hoe ver in het verleden wordt teruggekeken;

  3. de kans op recidive;

  4. het samenhangen van het beboetbare feit met andere, niet-fiscale overtredingen of misdrijven, onderscheidenlijk overtredingen of misdrijven in de zin van andere wetgeving dan die op het gebied van toeslagen. Voorwaarde is dat die andere overtredingen of misdrijven moeten samenhangen met de overtreding. Bijvoorbeeld valsheid in geschrifte of witwassen;

  5. de onderworpenheid aan tuchtrecht. Dit kan pleiten tegen openbaarmaking;

  6. de rechtspersoonlijkheid van de overtreder;

  7. het tijdsverloop sinds het begaan van de overtreding. Tijdsverloop kan relevant zijn voor beantwoording van de vraag of het publiek nog voldoende belang heeft bij openbaarmaking van een boeteschikking inzake een overtreding die in het (verre) verleden is begaan;

  8. de persoonlijke omstandigheden. Bij persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een ziekte die het voor de overtreder onmogelijk maakt om nog langer beroeps- of bedrijfsmatig te adviseren op het gebied van belastingen of toeslagen.

De inspecteur dient aan de hand van de factoren inzichtelijk te maken waarom hij openbaarmaking op basis van de gegevens die hij heeft proportioneel vindt. De inspecteur moet daarom een schriftelijk voornemen tot openbaarmaking aan de overtreder sturen voor de eventuele beschikking tot openbaarmaking. Hiertegen kan de overtreder een goed gemotiveerde zienswijze indienen. Die zienswijze kan tevens lacunes in het relevante complex van feiten en omstandigheden opvullen. Daardoor kan de inspecteur vervolgens op basis van zoveel mogelijk relevante feiten en omstandigheden de voorgeschreven belangenafweging maken.

Bron: MvF 18-12-2019, nr. 2019-0000191772 (gepubl. 30-12-2019) (Stcrt. 2019, 68169)