Wie was de werkelijke exploitant?

09 december 2019

Een Rijnvarende meent in Nederland vrijgesteld te zijn van premies volksverzekeringen. Volgens Rechtbank Gelderland was dit alleen mogelijk voor de periode gedurende welke het schip werd geëxploiteerd door een onderneming die gevestigd was in een van de lidstaten van de Rijnvarendenovereenkomst.

Een Rijnvarende woont heel 2013 in Nederland. Hij werkt in het internationale vervoer over de Europese binnenwateren (Rijnoeverstaten). Van 1 januari tot en met 31 maart 2013 werkt hij bij een in Luxemburg gevestigde onderneming (periode 1); van 1 april tot en met 31 juli 2013 werkt hij bij een op Cyprus gevestigde onderneming (periode 2); van 1 augustus tot en met 31 december 2013 werkt hij bij een in Liechtenstein gevestigde onderneming (periode 3). Zijn werkzaamheden voert hij uit aan boord van een motortankschip dat eigendom is van een in Nederland gevestigde bv. Het schip is sinds juli 2012 is verhuurd aan een in Luxemburg gevestigde onderneming. Het schip is voorzien van een Rijnvaartverklaring.

In zijn aangifte IB/PVV verzoekt de Rijnvarende om vrijstelling van de premies volksverzekeringen. Ter onderbouwing van het verzoek overlegt de hij een A1-verklaring afgegeven door Liechtenstein voor de periode 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2015. De inspecteur weigert dit verzoek te honoreren en legt een aanslag op met premies volksverzekeringen, wijst het bezwaar tegen de aanslag af en honoreert na een herzieningsverzoek alleen een vrijstelling van de premies volksverzekeringen over periode 3, wegens de A1-verklaring uit Liechtenstein. In geschil voor de rechtbank is of de Rijnvarende ook voor de perioden 1 en 2 recht heeft op vrijstelling van premies volksverzekeringen.

De rechtbank overweegt dat de Rijnvarende op grond van de Algemene Ouderdomswet verzekerd is voor de premies volksverzekeringen, omdat hij Nederlands ingezetene is, tenzij er een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van toepassing is. De Verordening (EG) 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels is op de Rijnvarende van toepassing, omdat hij ook in het buitenland werkte. In artikel 16 van deze Verordening staat dat (door) autoriteiten (aangewezen instellingen) in het belang van bepaalde personen en groepen uitzonderingen op bepaalde artikelen van de Verordening vaststellen. Op grond van deze bepaling is de Rijnvarendenovereenkomst in werking getreden. De lidstaten die hierin participeren zijn Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg en Nederland. In periode 1 heeft de Rijnvarende een werkgever die in Luxemburg is gevestigd. Hierdoor is de Rijnvarendenovereenkomst op hem van toepassing. Ook al staat de in Nederland gevestigde eigenaar van het schip op de rijnvaartverklaring, is er op grond van een uitspraak van hof Amsterdam tegenbewijs mogelijk. Op grond van de huurovereenkomst wordt de feitelijke exploitatie gedaan door de in Luxemburg gevestigde onderneming. Het hof oordeelt dat de Rijnvarende in periode 1 niet in Nederland is verzekerd voor de sociale verzekeringen en derhalve geen premies volksverzekeringen is verschuldigd. In periode 2 werkt de Rijnvarende voor een werkgever die op Cyprus is gevestigd. Cyprus is geen partij bij de Rijnvarendenovereenkomst, daarom is de Verordening van toepassing. De vraag is of de Rijnvarende in periode 2 een substantieel deel (25%) in Nederland heeft gewerkt. De Rijnvarende voert aan dat hij 24,57% in Nederland heeft gewerkt. Hij kan dit echter niet aannemelijk maken, daardoor oordeelt het hof dat hij ten minste 25% van zijn werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd. In periode 2 is hij in Nederland verzekerd voor de sociale verzekeringen en derhalve premies volksverzekeringen verschuldigd. Verder oordeelt het hof dat hij in periode 1 op grond van art. 16, lid 3 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Luxemburg in Nederland belastingplichtig is. Omdat er geen Verdrag van toepassing is tussen Nederland en Cyprus en Nederland en Liechtenstein is art. 38 AWR van toepassing. Hierin staat dat iemand niet in Nederland belastingplichtig is wanneer diegene in het betreffende buitenland onderworpen is aan belasting. Op basis van zijn loonstroken is gebleken dat beide landen geen belasting hebben ingehouden op zijn loon. Hij is daarom ook in periode 2 en 3 in Nederland belastingplichtig. Het beroep is alleen gegrond met betrekking tot de premies volksverzekeringen in periode 1.

In artikel 1, onder c van de Rijnvarendenovereenkomst staat dat wanneer een schip door meerdere ondernemingen wordt geëxploiteerd, voor toepassing van de overeenkomst als exploitant van het schip geldt de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor in het bijzonder het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling daarvan zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend. In de onderhavige casus was de Rijnvaartverklaring afgegeven aan de eigenaar van het schip en niet aan de huurder. In zijn uitspraak uit september 2018 heeft het hof geoordeeld dat de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens wel voor tegenbewijs vatbaar zijn. Hierdoor kon de Rijnvarende in deze casus door middel van de huurovereenkomst aantonen dat de Luxemburgse onderneming de feitelijke exploitant van het schip was.

Jurisprudentie: Rb. Gelderland 10-09-2019, nr. AWB – 18_1719 (ECLI:NL:RBGEL:2019:4105); Hof Amsterdam 4-09-2018, nr. 16/00517 ev (ECLI:NL:GHAMS:2018:4752)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld