Tewerkstellingsvergunning niet altijd vereist 

02 december 2019

Niet-EU-onderdanen die legaal werkzaam zijn in EU-lidstaten, hebben vrij toegang tot Nederland voor het vrij verrichten van diensten. In een tweetal arresten heeft de Raad van State beslist dat het hiervoor niet noodzakelijk is dat de werknemers actief zijn in de lidstaat waar de werkgever is gevestigd. 

De Raad van State heeft bepaald dat Nederland geen tewerkstellingsvergunning mag eisen van werknemers die legaal werkzaam zijn in een lidstaat van de EU en ook in Nederland werken – ook al is hun werkgever niet in die lidstaat gevestigd. Deze uitspraak is een vervolg op het Essent-arrest van het Hof van Justitie. In dat arrest handelde het om een Duits uitzendbureau dat Turkse werknemers die legaal verbleven op Duits grondgebied, naar Nederland detacheerde. Voor detachering van zogeheten derdelanders en een beroep op het vrij verrichten van diensten is het dus niet vereist dat de werkgever en de werknemer in hetzelfde land wonen, dan wel gevestigd of actief zijn. 

Met het Essent-arrest was door het Hof van Justitie aangegeven dat wanneer sprake is van vrij verrichten van diensten, een ontvangende lidstaat zoals Nederland niet nogmaals een tewerkstellingsvergunning mag eisen. In die situatie ging het om een werkgever en werknemers die in dezelfde lidstaat (Duitsland) gevestigd en actief waren. Turkse werknemers werkten legaal in Duitsland voor hun Duitse werkgever. Deze Duitse werkgever detacheerde de Turkse werknemers vervolgens naar Nederland. In die situatie is het niet toegestaan dat Nederland nogmaals een tewerkstellingsvergunning eist. 
In de zaak bij de Raad van State waren de werkgever en de werknemer niet in dezelfde lidstaat gevestigd en actief. De werkgever was gevestigd op Cyprus en de werknemers, met de Filipijnse en Indonesische nationaliteit, waren actief in Duitsland. In Duitsland hadden de werknemers hun hoofdactiviteit. Zij hadden voor Duitsland de benodigde verblijfs- en tewerkstellingsvergunningen. 

Het vrij verrichten van diensten volgt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie hetzelfde patroon. Dit ziet er als volgt uit. 

  • Het vrij verrichten van diensten verlangt de opheffing van iedere beperking die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en daar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt. 

  • Wanneer een lidstaat het verrichten van bepaalde diensten afhankelijk stelt van de afgifte van een vergunning, dan is dat een beperking van het vrij verrichten van diensten. 

  • Het beperken van het vrij verrichten van diensten kan slechts onder bepaalde voorwaarden gerechtvaardigd zijn. 

  • Deze rechtvaardigingen kunnen gelegen zijn in de bescherming van een algemeen belang en moet bovendien proportioneel zijn. 

  • Het vermijden van verstoringen op de arbeidsmarkt is een dwingende vereiste van algemeen belang. Echter: wanneer gedetacheerde werknemers tijdelijk in een andere lidstaat gaan werken, verstoren deze werknemers de arbeidsmarkt niet. 

  • Een lidstaat mag wel controlemaatregelen nemen om na te gaan of het vrij verrichten van diensten niet voor een ander doel wordt gebruikt. 

  • Deze controlemaatregelen mogen echter niet zo ver gaan dat daardoor het vrij verrichten van diensten illusoir wordt. 

  • Ook mag het vrij verrichten van diensten niet aan de beoordelingsvrijheid van de administratie onderworpen zijn. 

Dit patroon leidt ertoe dat een vergunningsplicht om de nationale arbeidsmarkt te beschermen, verder gaat dan is toegestaan. Notificatie – de verplichting van een dienstverrichter om de nationale autoriteiten inlichtingen te verschaffen – is wel toegestaan. 

Met het patroon van de jurisprudentie over het vrij verrichten van diensten voor ogen, oordeelde de Raad van State dat Nederland niet mag eisen dat de werkgever en werknemers in dezelfde lidstaat gevestigd en actief moeten zijn. Het is niet zo dat de Filipijnse en Indonesische werknemers hun hoofdactiviteit in Cyprus moeten uitoefenen. Nederland mag niet nogmaals eisen dat de werknemers over een tewerkstellingsvergunning moeten beschikken, daar waar deze reeds aanwezig is voor Duitsland. 

Jurisprudentie: RvS 18-09-2019, 201805612/1/V6 (ECLI:NL:RVS:2019:3203) en 201805609/1/V6 (ECLI:NL:RVS:2019:3204); HvJ EU 11-09-2014, C-91/13 (ECLI:EU:C:2014:2206)
Bron: AWVN 25-11-2019