Lassers waren in fictieve dienstbetrekking

02 december 2019

Daar een uitzendonderneming niet aannemelijk kan maken dat twee aan derden ter beschikking gestelde werknemers hun werkzaamheden verrichtten in het kader van een zelfstandig beroep of hun eigen bedrijf volgt Hof Den Haag het standpunt van de inspecteur dat sprake was van fictieve dienstbetrekkingen.

Een onderneming is actief op het gebied van het aannemen, het uitzenden dan wel het beschikbaar stellen van arbeidskrachten en in verband daarmee het verlenen van diensten. De feitelijke werkzaamheden bestaan uit het ter beschikking stellen van personeel aan derden.  

In 2015 en 2016 werkten twee lassers regelmatig voor opdrachtgevers van de onderneming. Met de lassers is door de uitzendonderneming een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd gesloten.  

Bij een boekenonderzoek is geconstateerd dat over de vergoeding aan de twee lassers geen loonheffing is ingehouden. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen opgelegd omdat de lassers volgens hem in fictieve dienstbetrekking werkzaam waren (art. 4, aanhef en onderdeel e Wet LB 1964 in samenhang art. 2a UBLB 1965).  

Volgens de uitzendonderneming zijn de lassers op grond van art. 2e lid 1 UBLB 1965 uitgezonderd van de fictieve dienstbetrekking omdat zij een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen. Het hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de lassers een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenden. Zij hebben geen VAR-wuo verklaringen. Er zijn in de naheffingstijdvakken geen andere opdrachtgevers. De twee lassers lopen een gering risico voor wat betreft de aansprakelijkheid voor de inhoud van hun werk en hun vergoeding en zijn wat dat betreft vergelijkbaar met gewone werknemers. Zij kunnen kosten voor kleding en reiskosten declareren en het materiaal dat zij nodig hebben stelt belanghebbende/de derde hen ter beschikking. 

Het hof concludeert dat het hoger beroep ongegrond is. De naheffingsaanslagen blijven in stand. 

 

Bovenstaande uitspraak betreft een feitelijke beslissing. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat aan de vereisten voor de aanwezigheid van een fictieve dienstbetrekking is voldaan, te weten: 

  • er wordt persoonlijke arbeid verricht; 

  • de arbeid wordt verricht ten behoeve van een derde door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat; 

  • er wordt een vergoeding voor de arbeid betaald. 

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de lassers hun werkzaamheden uitvoerden in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep waardoor de fictieve dienstbetrekking niet van toepassing is. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.  

Wet: art. 4 Wet LB 1964 ; art. 2a , 2e UBLB 1965
Jurisprudentie: Hof Den Haag 5-11-2019, BK-18/01048 en BK-18/01049 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2995); Rb. Den Haag 14-09-2018, AWB - 18 _ 1809 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12245)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf