Loondoorbetaling tijdens opzegtermijn aangemerkt als RVU

18 november 2019

Volgens Rechtbank Den Haag moeten bij een RVU de doorbetaling van salaris gedurende de opzegtermijn waarbij de werknemers zijn vrijgesteld van werkzaamheden ook worden aangemerkt als een RVU.

Om bedrijfseconomische redenen heeft de werkgever in 2014 besloten om haar personeelsbestand in te krimpen. In het kader hiervan is geïnventariseerd welke (met name) oudere werknemers op vrijwillige basis wilden afvloeien om plaats te maken voor jongere werknemers. Met de werknemers die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om vervroegd uit te treden (de vrijwillige ontslagronde), is een afvloeiingsregeling overeengekomen waarbij onder andere overeengekomen is dat de werknemers gedurende de opzegtermijn zijn vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris, vakantietoeslag en overige emolumenten. De afvloeiingsregelingen zijn vastgelegd in vaststellingsovereenkomsten. In totaal hebben 45 werknemers gebruik gemaakt van de afvloeiingsregeling. Op twee na zijn alle werknemers ouder dan 60 jaar. De helft van de deelnemers was werkzaam bij de werkgever en de andere helft bij andere vestigingen.

In 2017 wordt alsnog besloten om de fabriek te sluiten en over te gaan tot het ontslag van circa 230 werknemers. In het kader van deze sluiting is in maart 2017 overeenstemming bereikt met de vakbonden over een Sociaal Plan.

Primair is in geschil of de vrijwillige ontslagronde uit 2014, gevolgd door de gedwongen ontslagen in 2017 moet worden aangemerkt als één reorganisatie. Subsidiair is in geschil of het loon gedurende de opzegtermijn tot de grondslag van de RVU-heffing moet worden gerekend. De werkgever neemt het standpunt in dat de twee ontslagrondes als één geheel dienen te worden beschouwd en ook de vrijwillige ontslagronde daarmee niet als een RVU kan worden aangemerkt. Subsidiair voert de werkgever aan dat indien de vrijwillige ontslagronde afzonderlijk getoetst wordt, het loon dat gedurende de opzegtermijn is betaald niet tot de grondslag van de RVU heffing behoort. De inspecteur neemt het standpunt in dat sprake is van twee afzonderlijke, los van elkaar staande, ontslagrondes en dat de loonbetalingen gedurende de opzegtermijn onderdeel uitmaken van de RVU.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat beide ontslagrondes niet zijn aan te merken als één reorganisatie. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, concludeert de rechtbank dat op het moment dat de werknemers besloten gebruik te maken van de vrijwillige ontslagronde, sluiting van de fabriek niet aan de orde was. Dit betekende dat de vrijwillige ontslagronde geheel los stond van de gedwongen ontslagronde en daarom ten aanzien van de vrijwillige ontslagronde afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake was van een RVU.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrijwillige ontslagronde voor zover deze ziet op betalingen vanaf de daadwerkelijke uitdiensttreding tot aan de pensioendatum moet worden aangemerkt als een RVU. Bij het subsidiaire standpunt is uitsluitend in geschil of de doorbetaling van het salaris gedurende de opzegtermijn als RVU moet worden aangemerkt. De rechtbank stelt dat de doorbetaling van het salaris gedurende de opzegtermijn als RVU moet worden aangemerkt, omdat de werknemers gedurende de opzegtermijn hun salaris, vakantietoeslag en overige emolumenten hebben behouden en gedurende deze opzegtermijn geen werkzaamheden hebben verricht. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze betalingen gedurende de opzegtermijn onderdeel uit van het inkomen dat dient ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum en maken zij daarmee onderdeel uit van de regeling voor vervroegde uittreding.

Het primaire standpunt dat beide ontslagrondes als één reorganisatie zijn aan te merken was m.i. weinig kansrijk nu de beslissing om de fabriek te sluiten pas in 2017 is genomen.

Het subsidiaire standpunt betreft de vraag of de loonbetaling gedurende de opzegtermijn kan worden uitgesloten van de regeling voor vervroegde uittreding. De rechtbank oordeelt dat de verplichting die voortvloeit uit art. 7:628 BW niet resulteert in een ‘knip’ in de regeling voor vervroegde uittreding. Zowel de betalingen tijdens de opzegtermijn als de betalingen na beëindiging van de dienstbetrekking kwalificeren als regeling voor vervroegde uittreding. Ik onderschrijf de beslissing van de rechtbank. Art. 32ba Wet LB 1964 wil de keuze van de werkgever om ouderen te ontslaan ontmoedigen en raakt niet de civielrechtelijke verplichtingen die er aan een ontslag vastzitten. De werknemers worden door toepassing van art. 32ba Wet LB 1964 niet benadeeld omdat het loon regulier wordt doorbetaald.

Wet: art. 32ba Wet LB 1964
Jurisprudentie: Rb. Den Haag 12-09-2019 (publ. 11-11-2019), AWB - 18 _ 3414 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11233)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf