Bewijs ingehouden bronbelasting

11 november 2019

Werkt iemand via zijn bv in meerdere landen tegen een vast salaris, dan moet hij duidelijk maken welk deel van dat salaris ziet op werkzaamheden die recht geven op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Een zelf opgesteld overzicht is onvoldoende.

Een veelgevraagd cellist treedt op in verschillende landen, waaronder Nederland. In 2012 was hij directeur-grootaandeelhouder van een bv. Hij ontving een vast loon van de bv waarop in Nederland loonheffing werd ingehouden. De bv heeft in de aangifte Vpb 2012 bedragen aangegeven onder ‘verrekening wegens buitenlandse bronbelasting’. Hierbij is telkens het desbetreffende land genoemd en daarbij: 

  • landen waar in het Verdrag een vrijstellingsmethode is opgenomen: Duitsland en Spanje; 

  • landen waar in het Verdrag een verrekeningsmethode is opgenomen: België, Brazilië, Groot-Brittannië, Canada, Italië, Oostenrijk, Verenigde Staten en Zwitserland. 

De cellist is van mening dat hij contractueel persoonlijk gebonden is tot het verrichten van de werkzaamheden en recht heeft op de gage die uitbetaald werd aan de bv. Afdracht van bronbelasting heeft bijna altijd op naam van de cellist plaatsgevonden. Zowel de bv als de cellist worden in de heffing in Nederland betrokken, omdat zij in het buitenland ook beide in de heffing zijn betrokken. Hij is dan ook van mening dat op een deel van zijn salaris de vrijstelllings- dan wel de verrekeningsmethode moet worden toegepast ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Op grond van een arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007 stelt hij dat in de IB-sfeer aanspraak bestaat op verrekening van bronbelasting voor zover die in de Vpb-sfeer niet heeft geleid tot een aftrek elders belast. Ten aanzien van het belastingverdrag met België meent hij recht te hebben op de algemene compensatieregeling.

Tegen de aanslag IB/PVV 2012, die in januari 2015 is vastgesteld, maakt hij in januari 2017 bezwaar. Dit bezwaar wordt wegens termijnoverschrijding behandeld als een verzoek om ambtshalve herziening.

De rechtbank overweegt dat de cellist ter onderbouwing van zijn standpunten een door hemzelf opgesteld overzicht heeft opgesteld en overgelegd. Hierin staan het aantal in 2012 gewerkte dagen, het van de bv ontvangen salaris, de omzet van de bv en de ingehouden bronbelasting, uitgesplitst per land. Hij heeft geen stukken overgelegd aan de hand waarvan de gegevens op juistheid kunnen worden beoordeeld. Hij heeft echter een vast salaris van de bv. Aan de hand daarvan kan niet worden beoordeeld in hoeverre hij aanspraak kan maken op voorkoming van dubbele belasting. Niet bekend is namelijk hoe dit vaste salaris zich verhoudt tot de werkzaamheden in de verschillende landen, tot de omzet van de bv en tot de ingehouden bronbelasting. Hij dient te onderbouwen over welk inkomen ten laste van welke persoon en hoeveel bronbelasting is ingehouden in de landen waarvoor de verrekenmethode van toepassing zou zijn.

Ter zitting heeft de cellist aangeboden om alsnog contracten en bewijzen van de ingehouden bronbelasting te overleggen, maar de rechtbank gaat niet op dit aanbod in. Gezien de bewijslastverdeling en het door de Belastingdienst ingenomen standpunt had hij redelijkerwijs in moeten zien dat een door hemzelf vervaardigd overzicht niet zou leiden tot een onderbouwing van zijn standpunt. Hij is ruimschoots in de gelegenheid geweest om nadere stukken te overleggen. De rechtbank oordeelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor voorkoming van dubbele belasting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 

 

Uit de zaak blijkt niet waarom de cellist geen stukken heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten. Hij heeft wel overwogen dit voor de zitting te doen, maar hij heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij daarvan toch heeft afgezien. 

 

Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 12-09-2019, nr. AWB - 18_3203 (ECLI:NL:RBNHO:2019:7851)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld