Objectieve uitleg begrip ‘beeldende vorming’ niet mogelijk

16 oktober 2019

De zogenoemde cao-norm wordt niet alleen gehanteerd bij geschillen over cao-bepalingen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs aan de hand van de cao-norm bij een geschil over de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit Zorg en Welzijn.

Centraal staat de vraag of het Haags Kinderatelier (HKA) valt onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit Zorg en Welzijn. Pensioenfonds PFZW stelt zich op het standpunt dat HKA valt onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. HKA betwist niet dat zij een rechtspersoon is die uitsluitend of in overwegende mate zonder winstoogmerk lessen, cursussen en/of projecten verzorgt, maar wel dat die activiteiten kunnen worden beschouwd als activiteiten op het gebied van beeldende vorming.

Partijen zijn in dat verband verdeeld over de vraag hoe het begrip “beeldende vorming” in het Verplichtstellingsbesluit uitgelegd dient te worden. Het hof stelt voorop dat het Verplichtstellingsbesluit recht in de zin van art. 79 RO is en dat op de uitleg van deze regeling de zogeheten cao-norm van toepassing is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018).

Gelet op voormeld toetsingskader geldt dat de formulering die in het Verplichtstellingsbesluit ter aanduiding van de werkingssfeer wordt gebruikt zodanig moet zijn dat het voor een gemiddelde werkgever bij lezing daarvan duidelijk is, of naar objectieve maatstaven redelijkerwijs moet zijn, dat zijn bedrijfsactiviteiten vallen onder de werkingssfeer daarvan. Het begrip ‘beeldende vorming’ voldoet hier niet aan. Partijen hebben in de processtukken uitgebreid gedebatteerd over de uitleg naar objectieve maatstaven van dit begrip. Alleen al uit het gevoerde partijdebat (schriftelijk en ter zitting) volgt dat er verschillende (onderbouwde) visies mogelijk zijn op de uitleg van het begrip beeldende vorming.

Al met al is het hof van oordeel dat het begrip beeldende vorming onvoldoende duidelijk is om daaraan een uitleg naar objectieve maatstaven te geven in de zin zoals door PFZW voorgestaan. Dit betekent dat het hof de stelling van PFZW, dat de activiteiten van HKA vallen onder de werkingssfeer van artikel I sub k van het Verplichtstellingsbesluit, verwerpt. Ten overvloede overweegt het hof dat, als het begrip beeldende vorming wordt beschouwd in de context van de gehele tekst van artikel I onder k sub 1, de uitleg van HKA het meest voor de hand ligt. Begrippen als muzikale, dansante of dramatische vorming zullen naar objectieve maatstaven allereerst geassocieerd worden met het opdoen van praktische vaardigheden op die gebieden.

Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019, 200.232.577 (ECLI:NL:GHARL:2019:7382); HR 21-12-2018, 17/04334 (ECLI:NL:HR:2018:2363)

mr.dr. Esther Koot-van der Putte, Cao-recht Advies en Opleiding, www.cao-recht.nl