Verrekening loonheffing over niet IB-inkomsten

14 oktober 2019

Loonbelasting over een loonbestanddeel dat niet is betrokken in de inkomstenbelasting is toch verrekenbare voorheffing zolang de loonbelasting is ingehouden of nageheven en vervolgens afgedragen.

Een man werkte als algemeen directeur voor een bv die tot een groep van vennootschappen behoorde. In deze hoedanigheid kreeg de directeur de gelegenheid om via zijn persoonlijke holding in de groep te participeren. Toen de bv vanwege tegenvallende resultaten de dienstbetrekking van de directeur opzegde, was zij hem een beëindigingsvergoeding verschuldigd. Ook droegen de directeur en zijn holding hun participaties in de groep over. Een en ander was voor de Belastingdienst reden om de bv een naheffingsaanslag loonbelasting op te leggen, die door de bv op de man is verhaald door verrekening met zijn ontslagvergoeding.

In hoger beroep voor het hof is in geschil of de man de verhaalde loonheffing als voorheffing mag verrekenen met zijn aanslag IB/PVV over 2014. Partijen twisten niet over het antwoord op de vraag of sprake is van loon behaald uit dienstbetrekking behaald bij de verkoop van de certificaten van aandelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man de verhaalde loonheffing mag verrekenen met de aanslag IB/PVV 2014. De bv heeft de verschuldigde loonheffing op hem verhaalt, hetgeen betekent dat de loonheffing tot zijn last is gekomen. Dat er geen looninkomsten in zijn belastbare inkomen uit werk en woning zijn begrepen, doet hieraan niet af. Op grond van de Wet IB 2001 wordt als voorheffing aangemerkt de geheven loonheffing, met uitzondering van de eindheffing. Deze geheven voorheffing wordt verrekend met de aanslag IB/PVV. De loonheffing is nageheven bij de bv en via verrekening met de beëindigingsvergoeding verhaald op de man. Er is geen sprake van eindheffing. Op dit punt is het gelijk aan de man; hij mag de nageheven loonheffing verrekenen met de verschuldigde IB/PVV. Op grond van een arrest van de Hoge Raad uit 2003 is bepaald dat, zelfs als het loon niet tot het belastbare inkomen in de inkomstenbelasting, de loonbelasting verrekenbaar is met de aanslag IB/PVV. De rechtbank leidt uit het arrest tevens af dat de voorwaarde dat het loonbestanddeel in de aanslag IB/PVV moet zijn betrokken, alleen wordt gesteld indien de loonheffing niet is afgedragen.

In hoger beroep heeft de inspecteur herhaald dat nageheven loonbelasting alleen als voorheffing kan worden verrekend met de inkomstenbelasting, als het betreffende loonbestanddeel tot het belastbare inkomen uit werk en woning behoort. Het hof bevestigt echter de uitspraak van de rechtbank. Het hof merkt nog op dat de inspecteur geen beroep heeft gedaan op interne compensatie. Hierdoor had hij het belastbare inkomen uit werk en woning kunnen verhogen met het voordeel dat de man behaalt heeft met de koop en verkoop van de (certificaten van) aandelen. Doordat de inspecteur geen beroep heeft gedaan op interne compensatie behoeft de vraag of sprake is van een als loon in aanmerking te nemen voordeel uit dienstbetrekking, behaalde met de verkoop en verkoop van (certificaten van) aandelen geen behandeling. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Interne compensatie houdt in dat, wanneer een belanghebbende een aanslag op een bepaald onderdeel bestrijdt en de inspecteur het met die stelling eens is, de inspecteur andere onderdelen van de aanslag ter discussie mag stellen en de stelling mag innemen dat de aanslag als geheel bezien niet te hoog is vastgesteld. Interne compensatie is mogelijk in zowel de bezwaar- als in de beroepsfase. Er is een aantal beperkingen van toepassing op interne compensatie:

  • de aanslag mag niet op een hoger bedrag worden vastgesteld dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag;

  • bij een gecombineerde aanslag, bijvoorbeeld inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, is interne compensatie tussen die onderdelen niet mogelijk;

  • bij interne compensatie dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen. Te denken valt aan het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk procesrecht.

Wet: art. 9.2 lid 1 Wet IB 2001; art. 15 AWR
Jurisprudentie: Hof Amsterdam 24-09-2019, nr. 18/00603 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3593); Rb. Noord-Holland 11-09-2018, nr. AWB - 17 _ 2947 (ECLI:NL:RBNHO:2018:7741); HR 26-09-2003, nr. 38 532 (ECLI:NL:HR:2003:AL2130)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld