Ondanks sleutelbeheer werkgever stond auto ter beschikking

14 oktober 2019

Een werkgever kan, ook nadat hij door de inspecteur bij een eerder boekenonderzoek erop is gewezen dat hij dit aannemelijk moet maken, niet onderbouwen dat een personenbus niet ter beschikking heeft gestaan van zijn werknemers en dat het privégebruik minder dan 500 kilometer was. Volgens Hof Den Bosch waren de naheffingsaanslagen daarom terecht opgelegd.

Een werkgever exploiteert een tankstation met een shop en verhuurt vervoermiddelen. In 2010 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek gehouden over de periode januari 2009 tot en met half oktober 2010. Het onderzoek ging specifiek over het gebruik van de ter beschikking gestelde (bestel)auto’s. In het rapport over het boekenonderzoek stond vermeld dat de werkgever geen afspraken heeft gemaakt met de Belastingdienst over de ter beschikking gestelde auto’s en dat de werkgever gebruik maakte van de mogelijkheid om ander bewijs te leveren met betrekking tot het privégebruik van de auto’s. Ten aanzien van dit ander bewijs stond in het rapport dat de werkgever de auto, een Transporter achtpersoonsbusje, verhuurde, dat de bus achter een hek op het bedrijfsterrein stond en dat de poort van het hek na werktijd werd afgesloten. De Transporter werd ook gebruikt voor het transport van levensmiddelen van de detailhandel naar het tankstation. Er is geen rittenadministratie bijgehouden en de sleutel was in beheer bij de bedrijfsleider. De auto werd niet aan één persoon ter beschikking gesteld en privégebruik was verboden. Hiervoor is echter geen schriftelijk verbod op privégebruik overeengekomen. De inspecteur heeft in zijn rapport de werkgever erop gewezen dat de ritten voor de verhuur van de Transporter geregistreerd moesten worden en op hetgeen in het Handboek loonheffingen over ‘ander bewijs’ staat vermeld over privégebruik. Destijds heeft de inspecteur geen naheffingsaanslag opgelegd.

In mei 2015 is er wederom een boekenonderzoek ingesteld bij de werkgever. Het onderzoek betrof onder meer de aangifte loonheffingen over 2011 tot en met 2014. Dezelfde Transporter was nog steeds in gebruik bij de werkgever. De Transporter werd ook nog door verschillende werknemers gebruikt op dezelfde manier als in de periode van het eerdere boekenonderzoek. De werkgever kon ook nu geen rittenadministratie tonen en hij heeft achteraf een rittenadministratie over 2012 gemaakt op basis van de in de agenda aangegeven verhuur van de Transporter en het gebruik voor bezorgdiensten, intern gebruik en het lenen van de auto door een autobedrijf. Op basis van de bevindingen heeft de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd met toepassing van een tarief van 72,4%.

Het hof is met de inspecteur, op wie de bewijslast rust, van mening dat de Transporter aan de werknemers ter beschikking is gesteld in de betreffende jaren. Uit een verklaring van de bedrijfsleider bleek dat de auto vrijelijk aan de werknemers ter beschikking stond omdat de bedrijfsleider alleen het beheer over de sleutel had. Er was geen schriftelijke overeenkomst met een verbod op privégebruik en dit gebruik werd ook niet gecontroleerd. Hierdoor stond de auto de werknemers feitelijk ter beschikking. Op grond van de Wet LB 1964 wordt vermoed dat de auto daarom ook voor privégebruik aan de werknemers ter beschikking gesteld, tenzij de werkgever het tegendeel bewijst. De werkgever heeft het tegenbewijs dat de Transporter op kalenderjaarbasis niet voor meer dan 500 kilometer voor privégebruik ter beschikking stond niet geleverd. De werkgever stelt zich nog op het standpunt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden. Uit het controlerapport van het eerdere boekenonderzoek blijkt echter de opdracht van de inspecteur aan de werkgever de ritten inzake de verhuur van de Transporter te registreren. De werkgever heeft slechts naar de agenda en de omzet verwezen met betrekking tot de verhuur van de Transporter; de huurovereenkomsten zijn niet (meer) beschikbaar. De administratie vertoonde destijds al gebreken. Dat de inspecteur destijds niet heeft nageheven zegt in dit geval niets over de opvolgende tijdvakken. Ook de verwijzing naar het Handboek loonheffingen heeft bij de werkgever niet de indruk kunnen wekken dat zij voldeed aan de tegenbewijsregeling, waardoor ze op dezelfde weg verder kon gaan. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Indien een (bestel)auto voor privédoeleinden ter beschikking staat aan de werknemer, dient de werkgever het voordeel voor privégebruik bij het loon van de werknemer te rekenen, tenzij de werkgever bewijst dat het privégebruik op kalenderjaarbasis minder dan 500 kilometer was. Hiervoor geldt de vrije bewijsleer. Het bewijs kan daarom bijvoorbeeld bestaan uit een sluitende rittenadministratie, maar mag ook gebaseerd zijn op een afspraak met de Belastingdienst of een schriftelijk verbod op privégebruik dat gecontroleerd en bij overtreding gesanctioneerd wordt. Ook kan de werkgever een black box of een gps-tracker of iets dergelijks in de auto installeren, waarmee het zakelijk/privégebruik wordt geregistreerd. Aan het leveren van tegenbewijs heeft de werkgever in de hierboven behandelde zaak niet voldaan.

Wet: art. 13bis Wet LB 1964
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 17-05-2019 (publ. 9-10-2019), nr. 18/00171 t/m 18/00174 (ECLI:NL:GHSHE:2019:1877); Rb. Zeeland-West-Brabant 16-02-2018, nr. BRE 16/8833 t/m 16/8836 (ECLI:NL:RBZWB:2018:1282)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld