A-G: beëindig slapende dienstverbanden

19 september 2019

Advocaat-generaal De Bock vindt dat een werkgever in beginsel verplicht is om op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een ‘slapend dienstverband’ te beëindigen onder betaling van een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding.

Rechtbank Limburg heeft op verzoek van een werknemer prejudiciële vragen gestel aan de Hoge Raad over het al dan niet bestaan van een verplichting van de werkgever om een slapend dienstverband te beëindigen en een transitievergoeding te betalen. Het ging in deze zaak om een werknemer die vanaf 16 juni 1986 bij de werkgever in dienst is geweest als allround monteur/specialist. Vanaf 12 januari 2016 is de werknemer volledig arbeidsongeschikt. Hij ontvangt een WIA-uitkering. De werknemer heeft de werkgever gevraagd de arbeidsovereenkomst op te zeggen en aan hem de transitievergoeding te betalen, maar de werkgever heeft dat verzoek afgewezen. De werknemer heeft vervolgens voorgesteld dat de werkgever hem aan transitievergoeding het bedrag zal betalen waarvoor de werkgever gecompenseerd zal worden op grond van de Wet compensatie transitievergoeding.

Advocaat-generaal De Bock heeft haar conclusie over deze zaak uitgebracht. Volgens de A-G is een werkgever in beginsel verplicht is om op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een ‘slapend dienstverband’ te beëindigen onder betaling van een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding. Sinds er een wet is waarin is geregeld dat werkgevers door het UWV worden gecompenseerd voor betaling van de transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, gaat het argument dat een werkgever op hoge kosten wordt gejaagd, niet meer op. Bovendien is duidelijk dat de wetgever af wil van de slapende dienstverbanden. Op grond daarvan brengt de eis van goed werkgeverschap met zich mee dat een werkgever een werknemer niet in een slapend dienstverband mag houden, met als enige reden om de betaling van de transitievergoeding te ontlopen. Op de werkgever rust dus de verplichting om, op verzoek van de arbeidsongeschikte werknemer, het ‘slapende dienstverband’ te beëindigen, met betaling van een bedrag ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Dit kan anders zijn als de werkgever gerechtvaardigde belangen heeft om de arbeidsongeschikte werknemer toch in dienst te houden, bijvoorbeeld als er een reëel uitzicht is op re-integratie.

Jurisprudentie: Conclusie A-G 18-09-2019, nr. 19/01873 (ECLI:NL:PHR:2019:899); Rb. Limburg 10-4-2019, nr. 7567109/cv expl 19-1150 (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331)
Zie ook: Prejudiciële vragen over beëindigen slapend dienstverband (18-04-2019)