Inspecteur moet Whk-premie zelfstandig vaststellen

17 september 2019

Volgens Rechtbank Noord-Nederland heeft de inspecteur een zelfstandige taak voor wat betreft het vaststellen van de individuele korting of opslag inzake de Whk-premie. Daarbij is hij wel afhankelijk van de gegevens van het UWV.

Een uitzendbureau contracteert werknemers op basis van een uitzendcontract met uitzendbeding. Dit betekent onder meer dat hun dienstbetrekking eindigt bij ziekte. In geschil voor Rechtbank Noord-Nederland is de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) over 2018. Met name is in geschil de toerekening van de arbeidsongeschiktheidslasten van uiteindelijk vier voormalig werknemers. Hoe meer arbeidsongeschiktheidslasten aan een werkgever worden toegerekend, des te hoger is het gedifferentieerde premiepercentage Whk. De rechtbank staat eerst stil bij de verdeling van de bevoegdheid van de inspecteur ten opzichte van het UWV. De rechtbank vindt dat de inspecteur geen willoos werktuig is dat alleen formeel de Whk-beschikking neemt en verder volledig afhankelijk is (van de juridische kwalificatie) van feiten die het UWV vaststelt. De inspecteur heeft wel degelijk een zelfstandige taak door het vaststellen van de individuele korting of opslag waar het in deze zaak ook om gaat. Hij moet zich daarvoor wel op de hoogte stellen van de opvattingen van het UWV, maar dat is niet het klakkeloos volgen van de opvattingen van het UWV. Over de toekenning en de hoogte van de uitkeringen moet de inspecteur het UWV wel volgen. In deze zaak gaat het over de toerekening van de uitkeringen. De rechtbank onderschrijft dat de inspecteur in een ongelukkige positie is gemanoeuvreerd door de wetgever en dat hij in de praktijk wel volledig afhankelijk is van de gegevens die het UWV aanlevert. Ook bij de discussie over de berekening van de opslag of korting. Desalniettemin heeft de inspecteur een zelfstandige bevoegdheid die de rechtbank in beroep kan toetsen.

Partijen zijn het erover eens dat de toerekening van de Ziektewetuitkeringen (hierna: ZW-uitkeringen) en de uitkeringen Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkeringen) uit 2016 ten grondslag liggen aan het gedifferentieerd premiepercentage Whk voor 2018. Voor de berekening daarvan zijn de uitkeringen die twee jaar daarvoor zijn verstrekt van belang. In geval van de ZW-uitkering van de eerste voormalig werknemer heeft het UWV een WIA-aanvraag (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) bij besluit van 9 juni 2011 afgewezen. De reden was dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De werknemer was op 15 juli 2013 bij het uitzendbureau in dienst getreden en is per 1 oktober 2015 ziek uit dienst gemeld. Vanaf 5 oktober 2015 heeft de werknemer een ZW-uitkering ontvangen. Op 6 juni 2016 is de werknemer weer bij het uitzendbureau in dienst getreden en vervolgens is de werknemer op 1 oktober 2016 uit dienst getreden. Vervolgens is de werknemer op 4 oktober 2016 ziekgemeld. Vanaf 6 oktober 2016 heeft de werknemer weer een ZW-uitkering ontvangen. Het geschil in dit geval draait om de vraag of de no-riskpolis in de ziekteperiodes van toepassing was, waardoor toerekening van de uitkeringen aan het uitzendbureau niet terecht is. De rechtbank oordeelt dat in beide perioden de no-riskpolis van toepassing was. De werknemer is binnen vijf jaar na 9 juni 2011 (datum afwijzing WIA-uitkering) in dienst getreden bij het uitzendbureau. Vanaf de datum van indiensttreding gaat er dan een nieuwe vijf-jaarperiode beginnen, namelijk van 15 juli 2013 tot 15 juli 2018. Beide ziekteperiodes vallen binnen deze periode van vijf jaar, omdat de werknemer in beide gevallen bij dezelfde werkgever in dienst was getreden binnen die periode. De inspecteur meent dat de tweede dienstbetrekking is aangevangen buiten de periode van de eerste vijfjaarstermijn vanaf 9 juni 2011. De rechtbank geeft de inspecteur hierin geen gelijk. Met betrekking tot de tweede voormalig werknemer heeft het uitzendbureau bezwaar aangetekend tegen de toekenning en de hoogte van de uitkering. Op grond van art. 73b ZW en art. 115 WIA is het de rechtbank verboden om hierover te oordelen. Daarvoor moet het uitzendbureau in bezwaar en beroep tegen het UWV. De derde voormalig werknemer is op 12 oktober 2015 ziek uit dienst gegaan bij het uitzendbureau. Vervolgens heeft het UWV te kennen gegeven dat de werknemer op 9 november 2015 hersteld is gemeld en dat daarmee zijn ZW-uitkering werd stopgezet. Toch is zijn ZW-uitkering, die uiteindelijk op 4 oktober 2017 pas eindigde aan het uitzendbureau toegerekend. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk kan maken dat dit terecht is. Het uitzendbureau heeft geen bericht ontvangen dat de hersteld-melding is ingetrokken. Ter zitting ontbreekt elk stuk waaruit een duidelijk beeld ontstaat hoe het nu zit met de betaling van de uitkering in 2016. De toerekening van deze uitkering is daarom onterecht. De vierde voormalig werknemer was per 1 januari 2015 opgenomen in het doelgroepregister, waaruit volgt dat hij in aanmerking zou komen voor een no-riskpolis. Het UWV heeft het recht op de no-riskpolis nooit formeel vastgesteld. De uitkering van deze werknemer mag echter niet aan het uitzendbureau worden toegerekend volgens de rechtbank. Het maakt daarbij niet uit dat het uitzendbureau geen beroep heeft gedaan op de no-riskpolis bij het UWV en dat het UWV niet de status van de no-riskpolishouder afzonderlijk heeft vastgesteld. Het beroep is gegrond. De inspecteur moet de beschikking gedifferentieerde premie Whk over 2018 opnieuw vaststellen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank heeft in deze zaak onomwonden uitspraak gedaan met een duidelijke uitleg voor de minder ingewijden in deze materie.

Wet: art. 38 en 117b Wfsv , art. 2.5 , 2.6 , 2.11 en 2.13 Besluit Wfsv , art. 29 , 29b en 73b ZW en art. 115 WIA
Jurisprudentie: Rb. Noord-Nederland 5-9-2019, nr. AWB 18_3809 (ECLI:NL:RBNNE:2019:3828)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld