Door ontbrekende onderbouwing terechte naheffing

17 september 2019

Doordat geen schattingen beschikbaar zijn van de omvang van de kostenvergoedingen, zijn terecht naheffingsaanslagen opgelegd.

Een organisator van Bollywood evenementen, die ook een eigen radiostation in de lucht houdt, besluit in 2001 aan haar directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) een vaste kostenvergoeding te verstrekken. De kostenvergoeding bestaat uit een representatievergoeding van € 150, een telefoonvergoeding van € 50 en een vergoeding van € 250 voor het gebruik van de privéauto’s voor alle zakelijke ritten, waaronder woon-werkverkeer. Deze vaste vergoeding is aan de dga onder meer in 2010, 2011 en 2012 verstrekt. Bovendien kreeg de dga vanaf mei 2011 een auto ter beschikking gesteld door de organisator. In januari 2014 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek gehouden over de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over 2010, 2011 en 2012. Voor de vaste kostenvergoedingen ad € 5.400 en het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto heeft de Belastingdienst vervolgens gebruteerde naheffingsaanslagen opgelegd. Hof Leeuwarden overweegt dat de organisator in de jaren 2010 tot en met 2012 niet de werkkostenregeling heeft toegepast en dat het regime voor vrije vergoedingen en verstrekkingen daarom nog van toepassing was. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting stond: ‘Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon, voor zover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.’ De specificatie dient vooraf of uiterlijk op het moment van betaling daarvan plaats te vinden. Het hof oordeelt dat de kosten wel naar aard zijn gespecificeerd, maar niet naar veronderstelde omvang. De organisator heeft geen aan de betaling voorafgaande gemaakte schattingen van de kosten. Ook de ter zitting overgelegde telefoonrekeningen uit 2011 zijn niet voldoende, omdat zij slechts een aantal maanden betreffen en niet duidelijk is of de kosten kunnen worden toegerekend aan zakelijke gesprekken. De vaste kostenvergoedingen konden daarom niet onbelast worden verstrekt. De naheffing tegen gebruteerd tabeltarief is ook terecht. De organisator heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de loonheffingen op een later tijdstip voor haar rekening heeft genomen en dat zij recht op de feitelijke mogelijkheid van verhaal van de loonbelasting en premie heeft op de dga. Hierdoor heeft de mogelijkheid op verhaal vanaf het begin ontbroken. Aangezien ook een rittenadministratie voor het gebruik van de ter beschikking gestelde auto ontbreekt, is de naheffing voor het privégebruik van de auto ook terecht.

Bij toepassing van de werkkostenregeling is een vaste kostenvergoeding voor gerichte vrijstellingen geoorloofd, mits daaraan een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. In een Besluit uit december 2014 staat dat een vaste kostenvergoeding ziet op de kosten die de werknemer nog moet maken. De vaste kostenvergoeding kan dus niet achteraf worden toegekend.

Wet: art. 11 lid 1 onder a en 15 Wet LB 1964 (tekst 2010), art. 47 URLB 2001 (tekst 2010); MvF 17-12-2014, nr. BLKB 2014/1894M (Stcrt. 2014, 36871)
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019, nr. 18/01005 en 18/01006 (ECLI:NL:GHARL:2019:7343), Rb. Noord-Nederland 11-09-2018, nr. LEE 18/522 en 18/523, (ECLI:NL:RBNNE:2018:3622)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld