A1-verklaring nodig voor premievrijstelling Rijnvarende

12 september 2019

Stel iemand werkt op een schip met een Rijnvaartverklaring met een exploitant die in Nederland is gevestigd terwijl de werkgever in het buitenland is gevestigd. Zowel de SVB als de buitenlandse autoriteit ten aanzien van sociale verzekeringen geeft geen A1-verklaring of een vergelijkbare verklaring af. In dat geval mag volgens Hof Den Haag de Belastingdienst premies Nederlandse volksverzekeringen heffen over het loon van de Rijnvarende.

Een Nederlandse man werkt in 2013 op een binnenschip waarvoor een Rijnvaartverklaring is afgegeven. De exploitant van dat schip is gevestigd in Nederland, maar de werkgever van de man is gevestigd in Luxemburg. In tegenstelling tot voorgaande jaren hebben de SVB of enige Luxemburgse zusterorganisatie geen A1- of E106-verklaring afgegeven voor het jaar 2013. De man verzoekt de Belastingdienst om vrijstelling te verlenen van de heffing PVV. De inspecteur wijst zijn verzoek af. Hij vermindert uiteindelijk wel het brutoloon van de man met de Luxemburgse premies Krankenkasse en Krankengeld. De man gaat in beroep tegen de afwijzing van de vrijstelling van Nederlandse PVV. Het hof oordeelt dat de Belastingdienst bevoegd is om de verzekeringsplicht van de man vast te stellen. Dit komt doordat de SVB en een Luxemburgse zusterorganisatie geen A1- of E106-verklaring hebben afgegeven voor het jaar 2013. Het hof constateert dat evenmin sprake is van een schending van de loyale samenwerking tussen Nederland en Luxemburg. Het hof wijst er in dit verband op dat de regels van de Rijnvarendenovereenkomst bindend zijn. Volgens deze overeenkomst is de Rijnvarende premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip is gevestigd. Het hof wijst de stelling van de Rijnvarende dat volledige verrekening moet plaatsvinden met de ingehouden Luxemburgse verzekeringspremie eveneens af. Het hof verklaart het hoger beroep van de man alleen gegrond vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.

Wet: art. 57 Wfsv ; art. 11 AWR ; art. 4, tweede lid Rijnvarendenovereenkomst
Jurisprudentie: Hof Den Haag 03-09-2019, nr. BK-18/00775 (gepubl. 11-09-2019) (ECLI:NL:GHDHA:2019:2389)