Gebruikelijkloonregeling moest worden toegepast

19 augustus 2019

De eigenaren van een grillrestaurant menen dat voor hen een lager gebruikelijk loon moet worden toegepast dan het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling. Zij laten echter na dit lagere gebruikelijk loon te staven. Ook hebben ze nagelaten met de Belastingdienst overeenstemming te bereiken over een lager bedrag aan gebruikelijk loon.

De Belastingdienst doet over 2011 tot en met 2014 een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen bij een grillrestaurant. Het bedrijf wordt door een bv geëxploiteerd, die in 1986 is opgericht. De bv heeft drie aandeelhouders sinds 2010 en vier vanaf oktober 2013, die allemaal aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) zijn. Naast verschillen in de uitbetaling van loon aan de oproepkrachten en de loonadministratie, de toepassing van een te laag sectorpremiepercentage en te weinig afgedragen premies werknemersverzekeringen, is geconstateerd dat niet het gebruikelijk loon in aanmerking is genomen.

De rechtbank overweegt dat het gebruikelijk loon ten minste gesteld moet worden op een in de Wet LB 1964 bepaald bedrag (normbedrag), of, indien aannemelijk is dat dat het loon van dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, lager is, op dat lagere loon. Of het gebruikelijk loon wordt gesteld op het loon van de meest verdienende werknemer. Het is aan de belastingplichtige om een lager gebruikelijk loon dan het normbedrag aannemelijk te maken. De bv heeft via haar ab-houders niet aannemelijk gemaakt dat door slechts te verwijzen naar de horeca-cao dat er sprake is van soortgelijke dienstbetrekkingen die overeenkomen met de werkzaamheden van de ab-houders en dat daarop een lager salaris van toepassing is. Ten aanzien van een van de ab-houders is niet aannemelijk gemaakt dat hij slechts parttime voor de bv werkte. De rechtbank oordeelt dat het gebruikelijk loon daarom terecht is gesteld op het normbedrag.

De rechtbank meent dat de aanmerkelijkbelanghouders van het gebruikelijk loon hadden moeten weten. De adviseur/gemachtigde was op de hoogte van de gebruikelijkloonbepaling. Hij stelde zich echter op het standpunt dat gezien de resultaten van het bedrijf geen hoger loon door de bv kon worden uitbetaald dan zij feitelijk heeft gedaan. De ab-houders hadden over de hoogte van het gebruikelijk loon overeenstemming moeten trachten te bereiken met de Belastingdienst door daarover contact op te nemen. De stelling dat de inspecteur bij een ander bedrijf de afstemming over het gebruikelijk loon niet in behandeling heeft genomen is geen pleitbaar standpunt. Afstemming over het gebruikelijk loon is volgens de rechtbank altijd mogelijk en de Belastingdienst is daartoe ook verplicht, tenzij niet alle relevante stukken worden overgelegd. De rechtbank oordeelt dat het beroep van de bv faalt.

De ab-houders hadden met betrekking tot het gebruikelijk loon een duidelijk vergelijk met de door hen verrichte werkzaamheden en de werkzaamheden omschreven in de horeca-cao moeten maken. Op die manier hadden ze een grotere kans gemaakt om aan te tonen dat een gebruikelijk loon van het norm bedrag (in de jaren 2011-2014 € 41.000 tot € 44.000) te hoog was en dat het gebruikelijk loon lager diende te worden vastgesteld.

Wet: art. 12a Wet LB 1964
Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 2-06-2019 (publ. 1-07-2019), nr. 17/3726 (ECLI:NL:RBNHO:2019:5626)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld