Arbodienst aansprakelijk jegens opdrachtgever

19 augustus 2019

Een arbodienst was volgens Hof Den Haag aansprakelijk voor de tekortkomingen bij de re-integratie van een werknemer. De aan de werkgever opgelegde loonsanctie moest de arbodienst daarom terugbetalen aan de werkgever.

De werkgever en de arbodienst zijn in 2007 een dienstverleningsovereenkomst aangegaan. Op 22 februari 2012 heeft een werknemer van zich ziek gemeld. De werkgever meldt dit aan de arbodienst, waarna de arbodienst de (verzuim)begeleiding start. Op 9 juli 2013 hebben werkgever en arbodienst een aanvullende overeenkomst gesloten in verband met het ‘traject re-integratie tweede spoor’, omdat er geen mogelijkheden waren de werknemer te plaatsen in een andere en/of aangepaste functie bij de werkgever. Op 17 februari 2014 heeft het UWV beslist dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn gebleken, zodat een loondoorbetalingsverplichting tot 17 februari 2015 is opgelegd. Het beroep van de werkgever tegen deze loonsanctie is door Rechtbank Gelderland ongegrond verklaard.

De werkgever stelt dat, kort gezegd, dat de arbodienst tegenover haar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de aanvullende overeenkomst. Rechtbank Den Haag heeft de vorderingen van de werkgever afgewezen. In hoger beroep vordert de werkgever onder meer de veroordeling van de arbodienst tot betaling van € 36.201,20; het totale bedrag dat gemoeid is geweest met de opgelegde loonsanctie.

Hof Den Haag overweegt dat het verweer van de arbodienst dat het niet op de hoogte was van de beperkingen van de werknemer, niet slaagt. Uit het dossier komt naar voren dat de arbodienst weet had van de gemaakte aanpassingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ook had de toevoeging in het rapport van de verzekeringsarts, dat bij het kijken naar passende functies ook rekening moest worden gehouden met de concentratieproblemen van de werknemer, de arbodienst redelijkerwijs behoren op te vallen. Daar komt nog bij dat het met het oog op de beoordeling van de passendheid van de functies waarop de werknemer solliciteerde eens te meer op de weg van de arbodienst lag nader onderzoek te doen naar diens belastbaarheid, aangezien de arbodienst behoorde te weten dat het UWV zich bij de beoordeling van een WIA-aanvraag een zelfstandig oordeel vormt van de belastbaarheid van de betrokken werknemer. Het verweer dat de werknemer niet open stond voor aanbodversterking en dat de werkgever hiervan op de hoogte was maar kennelijk geen aanleiding zag tot het treffen van maatregelen, is volgens het hof ontoereikend. Uit de stellingen van de arbodienst kan niet worden afgeleid dat zij, zoals op haar weg lag, voldoende sturend is opgetreden en de werkgever heeft voorgehouden dat zij maatregelen moest treffen jegens de werknemer. Dat de arbodienst dat kennelijk wel eenmaal in 2014 heeft gedaan, doet niet af aan de verder tekortschietende begeleiding. Bovendien was werknemer toen al bijna 2,5 jaar ziek, zodat in feite sprake was van mosterd na de maaltijd.

De werkgever stelt dat de adviezen van de arbodienst om een oordeel van het UWV aan te vragen onvoldoende klemmend zijn geweest, doordat de arbodienst niet op de gevolgen van het niet aanvragen van dit deskundigenoordeel heeft gewezen en niet heeft kenbaar gemaakt dat zij niet meer verantwoordelijk zou zijn. Deze klacht treft doel. De bedrijfsarts heeft tweemaal, op 16 mei en 19 september 2013, aan de werkgever ‘in overweging gegeven’ om een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV ‘om te beoordelen of werkgever en werknemer voldoende doen aan re-integratie, op basis van de door de verzekeringsarts vast te stellen belastbaarheid van werknemer’. Het hof is met de werkgever van oordeel dat dit advies te vrijblijvend is geformuleerd om de hiervoor beschreven tekortkomingen van de arbodienst bij de re-integratie tweede spoor van de werknemer te kunnen wegnemen, althans om de schade als gevolg van de opgelegde loonsanctie mede aan de werkgever te kunnen toerekenen. Hierbij komt nog dat het tweede spoor ten tijde van het eerste advies nog uit de verf moest komen. Het slagen van deze grieven leidt ertoe dat de arbodienst in beginsel aansprakelijk is voor de schade die de werkgever heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de aanvullende overeenkomst.

Het hof veroordeelt de arbodienst om aan de werkgever € 36.201,20 (loonkosten, afgedragen verzekeringspremies en afgekochte vakantie-uren) te betalen, evenals om alle proceskosten te vergoeden.

Jurisprudentie: Hof Den Haag 11-06-2019 (publ. 22-07-2019), 200.218.692/01 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1334)