‘Freelancers’ waren in privaatrechtelijke dienstbetrekking

13 augustus 2019

Een thuiszorginstelling werkte met zowel werknemers als freelancers. Volgens de inspecteur bleek uit alles dat de ‘freelancers’ in privaatrechtelijke dienstbetrekking waren.

Een thuiszorginstelling in de vorm van een eenmanszaak bood vanaf 2009 aan mensen met een zorgbehoefte hulp bij het aanvragen van zorg en het verkrijgen van een persoonsgebonden budget. Aan de hand van de in het indicatiebesluit van CIZ (=Centrum Indicatiestelling Zorg) geïndiceerde zorg, werd een zorgplan opgesteld en de volgens het zorgplan benodigde zorg werd vervolgens door een van de medewerkers geleverd. Naast medewerkers die op de loonlijst stonden, maakte de thuiszorginstelling gebruik van freelancers. Met alle freelancers was een ‘arbeidsovereenkomst freelancer’ aangegaan. Hierin stond onder meer dat de werkdagen en -uren in overleg werden bepaald, per gewerkt uur een vaste beloning werd betaald en de werknemer niet zonder schriftelijke toestemming van de thuiszorginstelling een beroep of bedrijf mocht uitoefenen of elders in dienstbetrekking werkzaam mocht zijn.

De Inspecteur is bij de thuiszorginstelling op 13 februari 2015 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over onder meer de tijdvakken in de jaren 2012, 2013 en 2014. De conclusie van het rapport naar aanleiding van het boekenonderzoek is dat de thuiszorginstelling te weinig loonheffing inhoudt voor de freelancers. De inspecteur legt vervolgens naheffingsaanslagen loonheffing op over de jaren 2012, 2013 en 2014. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de freelancers in de onderhavige tijdvakken in een dienstbetrekking stonden tot de thuiszorginstelling. Over de cijfermatige uitkomst van elkaars standpunten bestaat geen geschil.

De zorgverlener is van mening dat geen dienstbetrekking bestaat met de freelancers en gaat in beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat tussen de thuiszorginstelling en de freelancers een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestaat, zodat er een inhoudingsplicht geldt. Volgens het hof was een gezagsverhouding aanwezig omdat de thuiszorginstelling bevoegd was de freelancers bindende aanwijzingen te geven over het te verrichten werk en verantwoordelijk was voor de kwaliteit van de te leveren zorg. Het hof vond het aannemelijk dat de freelancers zich, net als de medewerkers die op de loonlijst stonden, moesten houden aan het verrichten van de werkzaamheden op de manier zoals omschreven in het zorgplan. Ook was sprake van een verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten. De freelancers konden zich niet vrijelijk laten vervangen. Tot slot had de thuiszorginstelling de verplichting tot het betalen van loon. Het hof verminderde de naheffingsaanslagen overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur tot respectievelijk € 39.963, € 55.694 en € 77.585. Het hof vernietigde de boeten ook conform het nadere standpunt van de inspecteur.

Het hof oordeelt in bovenstaande casus volkomen terecht dat de freelancers in privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn. Voor de beoordeling of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking toets het Hof aan de eisen van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW:

  1. de aanwezigheid van een gezagsverhouding,

  2. de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, en

  3. de verplichting tot het betalen van loon.

Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien (holistische benadering). Daartoe zijn niet alleen van belang de rechten en verplichtingen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven en daaraan aldus inhoud hebben gegeven (vgl. Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887). Uit de verklaring van de thuiszorginstelling dat nieuwe en reeds in dienst zijnde medewerkers altijd de keuze hebben of zij in dienst komen als werknemer of worden ingehuurd als freelancer, volgt dat partijen geen verschil in gezagsverhouding hebben beoogd (r.o. 4.7).

Wet: art. 7:610 BW
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 2-07-2019 (publ. 22-07-2019), nrs. 17/00938, 17/00940, 17/00941, 17/00943, 17/00944 en 17/00946 (ECLI:NL:GHARL:2019:5407); Rb. Gelderland 8 -09-2017, nrs. AWB 16/1925 t/m 16/1933 (ECLI:NL:RBGEL:2017:4583)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf