Premievrije pensioenopbouw geen gelijkwaardige voorziening

13 augustus 2019

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden vormt een suppletieregeling in cao, die voorziet in aanvullingen op een WIA-uitkering en een premievrije voorzetting van de pensioenopbouw, geen gelijkwaardige alternatief voor de transitievergoeding.

Een werkneemster is sinds 1990 in dienst van de werkgever, ABN AMRO. Op 21 juni 2010 is zij wegens ziekte uitgevallen. Per 1 maart 2018 wordt de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV opgezegd. De werkneemster maakt aanspraak op de transitievergoeding ad € 53.111,94. De werkgever betwist deze verschuldigd te zijn, nu in de toepasselijke cao 2016-2018 een suppletieregeling is opgenomen die voorziet in aanvullingen op de WIA-uitkering en een premievrije voorzetting van de pensioenopbouw na beëindiging, en de cao bepaalt dat sprake is van een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in art. 7:673b BW.

Het hof overweegt dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 29 maart 2019 over de gelijkwaardige voorziening heeft overwogen dat bij de beoordeling of een in een cao opgenomen voorziening gelijkwaardig is aan de wettelijke transitievergoeding een vergelijking moet worden gemaakt tussen de gekapitaliseerde potentiële waarde van de cao-voorziening en de transitievergoeding. Daarbij moet het gaan om een voorziening ‘wegens een beëindiging’ van het dienstverband. De suppletieregeling in de cao van de werkgever betreft premievrije pensioenopbouw vanaf het derde ziektejaar zolang een werknemer arbeidsongeschikt blijft. Daarmee gaat het om een (secundaire) arbeidsvoorwaarde die de werkgever voor zijn arbeidsongeschikte werknemers heeft getroffen en niet om een voorziening die aan een werknemer toekomt voor het geval het dienstverband wordt beëindigd. Gelet hierop kan de pensioenvoorziening niet worden aangemerkt als een voorziening die gelijkwaardig is aan de transitievergoeding. De aanspraak op de pensioenvoorziening is ook ontstaan op een moment dat beëindiging van het dienstverband nog niet in beeld was. De omstandigheid dat de cao-partijen de suppletieregeling wel hebben aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak heeft overwogen betreft die omstandigheid slechts een gezichtspunt. De werkneemster heeft dus nog recht op de transitievergoeding.

Wet: art. 7:673b BW
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 22-07-2019, 200.248.302/01 (ECLI:NL:GHARL:2019:5951); HR 29-03-2019, 18/01150 (ECLI:NL:HR:2019:449)