Geen voorkoming dubbele belasting voor toezicht bij bouw schip

23 juli 2019

Een werknemer die voor zijn werkgever toezichtwerkzaamheden uitvoert bij de bouw van een boorschip door een Zuid-Koreaanse scheepsbouwer wil voorkoming van dubbele belasting voor zijn in Korea verrichte werkzaamheden. De Hoge Raad bevestigt de hofuitspraak dat in dit geval op grond van het belastingverdrag geen voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

Een inwoner van Nederland is in dienstbetrekking werkzaam bij een wereldwijd opererend concern dat offshore boorwerkzaamheden naar olie en gas verricht. Op boorschepen van de onderneming heeft hij gewerkt als eerste stuurman en als senior dynamic positioning operator.

In 2010 heeft een scheepsbouwer, in opdracht van het concern, een boorschip gebouwd op een scheepswerf in Zuid-Korea. De stuurman wordt hierbij ingezet als toezichthouder op de bouw van het boorschip. Na de tewaterlating van het boorschip heeft hij vanaf 30 juli 2010 als toezichthouder werkzaamheden verricht tijdens de proefvaarten van het schip. Het toezicht heeft bestaan uit het controleren of het gebouwde aan de technische vereisten voldeed. Na afronding van de proefvaarten heeft de scheepsbouwer het boorschip op 16 november 2010 opgeleverd aan het offshore concern. Gedurende de bouw heeft de scheepbouwer in haar kantoor in Zuid-Korea van maart 2010 tot december 2010 kantoorruimte (vier kamers) aangeboden aan de werknemers van het offshore concern.

In geschil is of de stuurman recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur weigert de aftrek, omdat er volgens hem geen sprake is van een vaste inrichting van zijn werkgever in Korea.

De Hoge Raad volgt de beslissing van Hof Arnhem-Leeuwarden. De beslissing van het hof is begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het hof oordeelde dat het offshore concern de onderneming niet geheel of gedeeltelijk uitoefent in Zuid-Korea door middel van een vaste inrichting als bedoeld in art. 5 lid 1 van het belastingverdrag tussen Nederland en Zuid-Korea. Het concern behaalde namelijk geen omzet in Zuid-Korea. Verder stonden de toezichthoudende werkzaamheden op de bouw van het boorschip ver af van de winstgenererende booractiviteiten van het concern en vormden deze werkzaamheden geen essentieel deel van de activiteiten van het concern. Daarnaast oordeelde het hof dat de door de stuurman verrichte werkzaamheden in verband met de bouw van het boorschip bij de scheepsbouwer, in opdracht van zijn werkgever, niet aan te merken zijn als werkzaamheden die in art. 5 lid 2 onderdeel h van het belastingverdrag worden genoemd.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank en het hof.

Inkomsten uit dienstbetrekking verkregen door een inwoner van Nederland zijn in beginsel slechts in Nederland belast, tenzij de dienstbetrekking in Zuid-Korea wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking in Zuid-Korea wordt uitgeoefend, mag het ter zake daarvan verkregen loon in Zuid-Korea worden belast. Een uitzondering hierop geldt, indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan. In dat geval mag Nederland de looninkomsten belasten:

  1. de werknemer verblijft in het desbetreffende belastingjaar niet meer dan 183 dagen in Korea, en

  2. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van Korea is, en

  3. de beloning komt niet ten laste van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in Korea heeft.

Aan voorwaarden a en b is in casu voldaan. Dit betekent dat de belastingheffing alleen aan Zuid-Korea kan toekomen indien de werkgever over een vaste inrichting in Zuid-Korea beschikt. De bewijslast voor het aantonen van de vaste inrichting ligt bij belanghebbende. Op basis van de door hem verstrekte informatie oordeelt het hof dat de kantoorruimte niet kan worden aangemerkt als een vaste inrichting in Zuid-Korea. Ook leiden de toezichthoudende activiteiten niet tot een vaste inrichting op grond van art. 5 lid 2 aanhef en letter h van het verdrag. Deze bepaling houdt in dat onder een vaste inrichting mede wordt begrepen de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, installatie- of montagewerkzaamheden of van werkzaamheden bestaande uit het verschaffen van persoonlijke diensten zoals diensten van toezichthoudende of technische aard, of andere bedrijfsmatige diensten die met een en ander verband houden, indien de duur van dat bouwwerk of die werkzaamheden zes maanden overschrijdt. In casu wordt het boorschip gebouwd door de scheepsbouwer in opdracht van het offshore bedrijf. Er kan daarom niet gesproken worden van een bouwwerk van het offshore bedrijf.

Wet: Belastingverdrag Nederland-Korea
Jurisprudentie: HR 19-07-2019, 17/05809 (ECLI:NL:HR:2019:1220); Hof Arnhem-Leeuwarden 5-12-2017, 16/01250 (ECLI:NL:GHARL:2017:10604); Rb. Gelderland 3-10-2016, AWB - 16 _ 1979 (ECLI:NL:RBGEL:2016:5362)