Letse sociale zekerheid voor zeevarende

23 juli 2019

De Hoge Raad volgt in een arrest het oordeel van het Europese Hof van Justitie inzake de toepassing van het restartikel uit EG-Verordening 883/2004. De zaak had betrekking op een Letse zeevarende die voor een Nederlandse werkgever buiten het grondgebied van de EU werkte.

De zeevarende met de Letse nationaliteit woont in 2013 in Letland. Van 13 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 werkt hij in loondienst van een in Nederland gevestigde bv. Hij werkt als steward op een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s. Het schip ligt in die periode als een platform boven het Duitse deel van het continentale plat onder de Noordzee. De werkzaamheden van de man, daarover is er tussen de partijen geen geschil, vonden plaats buiten het grondgebied van de EU.

In geschil is of belanghebbende in deze periode premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is het geen 'acte clair' of de EG-Verordening nr. de socialezekerheidswetgeving van de werkgeversstaat of van de woonstaat aanwijst. Het is de vraag of na de invoering van de restbepaling (art.11 lid 3 onderdeel e EG-Verordening 883/2004) - in de bovengenoemde situatie de zogenaamde Aldewereld-leer nog geldt. In het arrest Aldewereld kende het Hof van Justitie extraterritoriale werking toe aan Verordening 1408/71. In dit arrest was betrokkene woonachtig in Nederland en werd hij aangenomen door een Duitse werkgever, alwaar hij sociaal verzekerd was. Deze werkgever zond betrokkene direct uit naar Thailand. Volgens het Hof van Justitie bleef hij in Duitsland verzekerd omdat er voldoende aanknopingspunten met de EU waren. In tegenstelling tot Verordening 883/2004 bevatte Verordening 1408/71 geen restbepaling. De rechtbank heeft daarom prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat in het geval van de Letse zeevarende de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats (Letland) van toepassing is. Hij is dan niet verzekerd en premieplichtig in Nederland. Het Europese Hof van Justitie stelt daarbij vast dat belanghebbende zijn woonplaats in Letland heeft behouden en hij als zeevarende werkzaam is voor een Nederlandse werkgever op een schip dat buiten het grondgebied van de EU en onder de vlag van de Bahama’s vaart. Volgens het Europese Hof van Justitie valt de zeevarende dan binnen de werkingssfeer van art. 11 lid 3 onderdeel e EG-Verordening 883/2004.

De Hoge Raad oordeelt dat uit het arrest van het Europese Hof van Justitie volgt dat op de zeevarende de wetgeving van zijn woonland van toepassing is. Er hoeft niet onderzocht te worden of de Letse wetgeving voor hem in de onderhavige situatie voorziet in aansluiting bij enig stelsel van sociale zekerheid.

Bij grensoverschrijdende werkzaamheden binnen de Europese Unie coördineert Verordening 883/2004 de sociale zekerheid. De aanwijsregels van titel II van deze Verordening bepalen waar de persoon sociaal verzekerd is. Het doel van de Verordening is dubbele verzekeringsplicht of geen verzekeringsplicht te voorkomen.

Sinds 1 mei 2010 heeft EG Verordening 883/2004 de EG Verordening 1408/71 vervangen. De nieuwe Verordening bevat twee veranderingen die relevant zijn voor deze casus. Ten eerste heeft Verordening 883/2004 geen specifieke aanwijsregel voor zeevarenden. Wel is in deze Verordening bepaalt dat werkzaamheden in loondienst aan boord van een EU gevlagd schip worden beschouwd als werkzaamheden op het grondgebied van het vlagland (art. 11 lid 4 EG-Verordening 883/2004) . Nu het schip waarop belanghebbende werkzaam is, vaart onder de vlag van de Bahama’s is deze bepaling niet relevant.

Daarnaast is in de nieuwe Verordening 883/2004 een zogenaamd restartikel opgenomen. Dit restartikel (art. 11 lid 3 onderdeel e EG-Verordening 883/2004) bepaalt dat voor eenieder op wie de bepalingen van artikel 11 lid 3, onderdelen a tot en met d niet van toepassing zijn, de wetgeving van de woonstaat geldt. Op grond van de grammaticale uitleg van het artikel, maar ook de context en de doelstellingen van EG Verordening 883/2004 dient deze bepaling ruim te worden uitgelegd. Deze ruim geformuleerde vangnetbepaling wijst exclusief de socialezekerheidswetgeving van de woonstaat (Letland) aan. Daaraan doet niet af dat de Letse wetgeving in de woonstaat mogelijk geen sociale bescherming biedt.

Met deze uitspraak is 9 jaar na de invoering van EG Verordening 883/2004 uitleg gegeven aan de toepassing van het nieuwe artikel 11, lid 3, onderdeel e van deze Verordening. De extraterritoriale werking zoals deze volgde uit het arrest Aldewereld is niet langer van toepassing.

Wet: EG-Verordening 883/2004

Jurisprudentie: HR 19-07-2019, 17/01041 (ECLI:NL:HR:2019:1201); HvJ EU 8-05-2019, C-631/17 (ECLI:EU:C:2019:381); HR 27-10-2017, nr. 17/01041 (ECLI:NL:HR:2017:2681); Rb. Zeeland-West-Brabant 20-04-2017, nr. 16/1532 (ECLI:NL:RBZWB:2017:2454)