Ten onrechte opgewekt vertrouwen

25 juni 2019

Voor een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting is van belang onder welke vlag een schip vaart. Dat de inspecteur dit in een eerder jaar niet relevant vond, komt voor rekening van de inspecteur. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan niet.

Een werknemer van A AG, gevestigd in Zwitserland, woonde in Nederland. Hij werkte aan boord van een motortankschip. In 2009 is hij gewisseld van schip. Ten behoeve van het opleggen van zijn aanslag IB/PVV over 2003 heeft de inspecteur aan de werknemer verzocht hem stukken toe te sturen waaruit bleek dat hij aan boord van een Rijnschip onder Zwitserse vlag voer. Toen de werknemer geen stukken had overgelegd, heeft de inspecteur de aanslag opgelegd zonder vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. De werknemer maakte bezwaar tegen de aanslag en verzocht om vermindering ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Tegelijkertijd heeft hij een ‘lohnausweis’ over dat jaar aan de inspecteur gestuurd. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag verminderd. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV over 2011 en 2012 weigerde de inspecteur opnieuw vermindering ter voorkoming van dubbele belastingheffing. De werknemer stelde zich op het standpunt dat hij recht had op vermindering, omdat over de jaren 2002 tot en met 2010 ook vermindering is toegekend. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de situatie sinds 2009 veranderd was, omdat hij aan boord van een ander schip is gaan varen. De aanslagen IB/PVV over 2009 en 2010 zijn automatisch opgelegd. Daarom is een beroep op het vertrouwensbeginsel niet gerechtvaardigd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant gaf de inspecteur gelijk. De omstandigheden zijn in 2009 inderdaad gewijzigd, omdat de werknemer aan boord van een ander schip ging werken. Daarom is een beroep op het vertrouwensbeginsel niet gerechtvaardigd. Omdat de aangiften over 2009 en 2010 automatisch waren afgehandeld, was er geen sprake van een bewuste standpuntbepaling aan de zijde van de Belastingdienst, waaraan de werknemer vertrouwen kon ontlenen. Hof Den Bosch oordeelde anders. Het hof overwoog dat het ging om een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur door de correspondentie die had plaatsgevonden over de aangifte over 2003. De stukken, die de werknemer aan de inspecteur had toegestuurd, bestonden uit niets meer dan uit een lohnausweis 2003, waaruit alleen bleek dat de werknemer in 2003 loon genoot van A AG. De feiten en omstandigheden zijn in de 2011 en 2012 niet relevant gewijzigd in vergelijking met 2003, waarover de inspecteur een bewust standpunt had ingenomen. Uit niets bleek, volgens het hof, dat het relevant was of de werknemer wel of niet werkte op een schip dat voer onder Zwitserse vlag. Daarom was niet relevant of de werknemer in 2009 van schip is gewijzigd. Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep van de werknemer op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen.

Voor de Hoge Raad wordt betoogd dat het hof niet heeft vastgesteld dat voor toepassing van het vertrouwensbeginsel de situatie van de werknemer in 2003 hetzelfde was als die in 2011 en 2012. Het hof is namelijk niet ingegaan op de stelling van de inspecteur dat de werknemer sinds 2009 aan boord werkte van een schip dat voer onder Duitse vlag. Hierdoor kon hij in 2011 en 2012 geen aanspraak maken op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting op grond van het Verdrag met Zwitserland. De Hoge Raad beslist dat dit middel slaagt. Dat de inspecteur het in 2003 niet relevant achtte onder welke vlag het schip voer heeft betrekking op een gedraging van de zijde van de inspecteur. Hieraan kan de werknemer niet het gewekt vertrouwen ontlenen dat het voor de aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting niet relevant is onder welke vlag het schip vaart, waarop hij werkt. De vaststelling dat de werknemer in 2009 van schip is gewisseld en de stelling van de inspecteur dat de werknemer in 2011 en 2012 op een schip werkte dat onder een andere vlag voer dan het schip waarop hij in 2003 werkte kan, indien juist, meebrengen dat de werknemer geen vertrouwen kan ontlenen aan de standpuntbepaling van de inspecteur uit 2003. Dit moet onderzocht worden. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Het beroep in cassatie is gegrond.

Dit arrest komt erop neer dat wet- en regelgeving voorgaan op de feiten en omstandigheden waaronder de inspecteur een bepaald standpunt heeft ingenomen ten aanzien van, in dit geval, de behandeling van een aangifte IB/PVV.

Jurisprudentie: Hoge Raad 14-6-2019, nr. 18/04340 (ECLI:NL:HR:2019:913), Hof Den Bosch 6-9-2018, nr. 17/00352 en 17/00353 (ECLI:NL:GHSHE:2018:3701), Rb. Zeeland-West-Brabant 14-4-2017, nr. AWB - 16 _ 4032 (ECLI:NL:RBZWB:2017:2368)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld