Foute antwoorden: geen VAR-wuo

25 juni 2019

Doordat een ziekenverzorgster de vragen in het aanvraagformulier voor toekenning van de VAR-wuo niet correct heeft beantwoord, kan zij geen vertrouwen ontlenen aan de aan haar afgegeven VAR.

Een ziekenverzorgster heeft, door tussenkomst van B bv, in 2012 zorg in natura verleend aan terminale patiënten. Voor het verlenen van zorg sloot B bv overeenkomsten met de zorgvragers en het zorgkantoor. De ziekenverzorgster declareerde haar vergoeding voor de werkzaamheden bij B bv. Zij was voor 2012 in het bezit van een Verklaring Arbeidsrelatie winst uit onderneming (hierna: VAR-wuo), automatisch gecontinueerd op basis van de drie jaren daaraan voorafgaand en gebaseerd op de door haar ingediende gegevens op het aanvraagformulier voor 2011. Ten aanzien van haar aangifte IB/PVV over 2008 en het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur aan haar geschreven dat de inspecteur haar standpunt volgde dat zij over 2008 tot en met 2011 als ondernemer kwalificeerde en dat hij dit bij de aangifte IB/PVV 2012 opnieuw zou beoordelen. Zij kon daarom geen vertrouwen ontlenen aan dit standpunt voor 2008 tot en met 2011. Bij de aangifte IB/PVV 2012 nam de inspecteur het standpunt in dat de ziekenverzorgster in dienstbetrekking werkte bij B bv. Voor Hof Leeuwarden is niet meer in geschil dat de voordelen die de ziekenverzorgster genoot met de zorg in natura kwalificeerde als loon uit dienstbetrekking. De ziekenverzorgster nam echter het standpunt in dat de inkomsten toch als winst uit onderneming dienden te kwalificeren door de aan haar afgegeven VAR-wuo. Deze niet herziene VAR-wuo is volgens haar leidend voor de inkomstenbelasting, bovendien doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de VAR-wuo. Het hof overweegt dat de VAR alleen rechtsgevolgen heeft voor de heffing van inkomstenbelasting via toepassing van het vertrouwensbeginsel. De inspecteur meent dat de ziekenverzorgster het aanvraagformulier voor toekenning van een VAR onjuist heeft ingevuld. Het hof overweegt dat de ziekenverzorgster onjuist heeft geantwoord op de vraag of de Belastingdienst de VAR-werkzaamheden in de afgelopen vijf jaar eerder heeft beoordeeld. Haar antwoord was: ja, als winst uit onderneming. Het hof overweegt dat de afgifte van een eerdere VAR-wuo niet als beoordeling kwalificeert door de Belastingdienst. Daarnaast heeft zij aangegeven te verwachten voor meer dan zeven opdrachtgevers te gaan werken. Zij werkte voor B bv en B bv sloot de zorgovereenkomsten met de zorgvragers en het zorgkantoor, omdat zij daarvoor zelf niet over een aanwijzing beschikte. Zij kon dus ook niet zonder tussenkomst van een zorgaanbieder zorg verlenen. Het hof oordeelt dat de ziekenverzorgster op essentiële punten het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld. Daarom kon zij geen vertrouwen ontlenen aan de aan haar afgegeven VAR-wuo voor 2012. Verder neemt de ziekenverzorgster het standpunt in dat zij op basis van de brief van de inspecteur ten aanzien van de aangifte IB/PVV over 2008 het vertrouwen kon ontlenen dat haar inkomsten kwalificeerden als winst uit onderneming, omdat de feiten en omstandigheden waaronder zij werkt niet zijn gewijzigd. Het hof verwerpt dit standpunt, omdat de inspecteur een nadrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt voor 2012, omdat hij in de brief had geschreven de situatie bij de aangifte over 2012 opnieuw te gaan beoordelen.

Vooralsnog zal de juiste beantwoording van vragen via een webmodule opnieuw van belang zijn onder de ‘vervanging Wet DBA’ voor toepassing van de zogenoemde ‘opdrachtgeversverklaring’. Boven een bepaald uurtarief zal de ‘opdrachtgeversverklaring’ van toepassing zijn. Een verklaring vergelijkbaar met de afgeschafte VAR, maar dan op basis van meer antwoorden op meer vragen via een webmodule. De ‘opdrachtgeversverklaring’ kan toegepast worden tot een bepaalde bovengrens aan het uurtarief.

Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 18-6-2019, nr. 18/00486 (ECLI:NL:GHARL:2019:5039), Rb. Noord-Nederland 24-4-2018, nr. LEE 17/3521 (ECLI:NL:RBNNE:2018:1480)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld