Inhoudingsplichtige is ook pseudo-eindheffing verschuldigd

18 juni 2019

Daar een vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen de Belastingdienst en belastingplichtige inzake de loonheffing over de aandelentoekenning aan managers, is belastingplichtige ook degene die pseudo-eindheffing is verschuldigd.

In 2006 is door private equity fondsen F en G, M LLC (hierna: M) opgericht met als doel om het (toekomstig) management van X bv te kunnen laten participeren in de structuur. De F- en G-fondsen hielden destijds ieder een belang van 50% in M. Het bestuur van M werd gevormd door vertegenwoordigers van F en G. X bv werd als dochteronderneming van L nv in 2012 genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs.

M hield een aandelenbelang in N Sarl en zogenoemde Preferred Equity Certificates (PEC’s) in O Sarl, een dochtervennootschap van N Sarl. De F- en G-fondsen hielden via N respectievelijk O Sarl een meerderheidsbelang in X bv, waar dat voor M neerkwam op een belang van 1,3%.

In maart 2012 heeft M aan het management van X bv (dertien personen in totaal) voor een symbolisch bedrag de zogenoemde ‘strip entitlement’ toegekend, ter waarde van € 20.000.000. De toekenning (hierna: de aandelentoekenning) bestond uit een belang dat M in N respectievelijk O Sarl had. De feitelijke levering van de belangen aan de managers is uitgesteld tot na de beursgang van X bv.

Op 15 maart 2012 hebben X bv en de Belastingdienst ter zake van de aandelentoekenning een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder met het volgende is opgenomen:

‘(…)

Additioneel pakket aandelen aan groep van managers

Zoals reeds besproken, hebben de aandeelhouders G en F in verband met de voorgenomen beursgang van X besloten aan een groep van managers tegen een symbolisch bedrag een additioneel pakket aandelen toe te kennen met een totale bruto waarde gesteld op € 20.000.000. Dit voordeel kwalificeert als een voordeel uit dienstbetrekking waarover loonbelasting afgedragen dient te worden.

(…)’

Conform de vaststellingsovereenkomst, en onder toepassing van art. 20a Wet LB 1964, heeft X bv ter zake van de aandelentoekenning in mei 2012 loonbelasting ingehouden en afgedragen. De Belastingdienst heeft op 16 mei 2017 ter zake van de aandelentoekenning een naheffingsaanslag opgelegd met toepassing van artikel 32bd Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964), de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon.

Voor Rechtbank Gelderland is het de vraag of de naheffingsaanslag pseudo-eindheffing hoog loon over maart 2013 terecht is opgelegd aan X bv.

In art. 32bd Wet LB 1964 is bepaald dat de pseudo-eindheffing wordt geheven over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarover in het voorafgaande kalenderjaar met toepassing van de art. 20a, 20b, 26 en 26b Wet LB 1964 belasting is geheven.

X bv heeft in 2012 met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is vermeld dat de aandelenverstrekking kwalificeert als een voordeel uit hoofde van dienstbetrekking waarover loonheffing dient te worden ingehouden en afgedragen. In 2012 heeft X bv, conform de vaststellingsovereenkomst, ter zake van de aandelentoekenning ook loonheffing ingehouden en afgedragen. Als gevolg hiervan is over de aandelentoekenning in 2012 belasting geheven in de zin van art. 20a Wet LB 1964.

De rechtbank oordeelt dat hiermee is voldaan aan art. 32bd lid 1 Wet LB 1964 waardoor het loonvoordeel dat door de werknemers is genoten tot de grondslag voor de pseudo eindheffing behoord. De omstandigheid dat de inhoudingsplicht slechts voortvloeit uit de gemaakte afspraken tussen belanghebbende en de Belastingdienst doet hieraan niet af.

M heeft aan het management van X bv aandelen toegekend. X bv is met de Belastingdienst overeengekomen dat X bv inhoudingsplichtige is voor de aandelentoekenning door M.
De rechtbank oordeelt mijns inziens terecht dat de pseudo-eindheffing verschuldigd is door X bv. De vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst gebaseerd op het civiele recht (art. 7:900 BW) waarin een belastingplichtige en de inspecteur met elkaar afspreken om in een onzekere situatie een bepaald standpunt in te nemen waaraan beide partijen vervolgens verbonden zijn. De vaststellingsovereenkomst is bedoeld om onzekerheden weg te nemen en de rechtszekerheid te bevorderen. In deze casus zijn de belastingplichtige en de Belastingdienst overeengekomen dat X bv de inhoudingsplichtige is voor de aandelentoekenning. Als gevolg hiervan is X bv ook voor de pseudo-eindheffing inhoudingsplichtige.

In 1997 heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat beide partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst. Een uitzondering op deze regel geldt uitsluitend wanneer de overeenkomst zozeer in strijd is met geldende wettelijke regelingen, dat op nakoming daarvan niet mocht worden gerekend.

Jurisprudentie: Rb. Gelderland 11-6-2019, nr. AWB-18_4400 (ECLI:NL:RBGEL:2019:2577); HR 07-05-1997, nr. 31658 (ECLI:NL:PHR:1997:AA3201)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf