Gedupeerde rijnvarenden: mogelijk beroep op uitzonderingsregel

15 mei 2019

Eind februari verscheen het bericht ‘Belastingdienst eist tienduizenden euro’s van matrozen in de media’. Het gaat hier om rijnvarenden die in hun aangifte om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen hebben verzocht met als reden dat zij in het buitenland verzekerd zijn. Zij zijn echter sociaal verzekerd in Nederland. Staatssecretaris Snel van Financiën heeft Kamervragen over dit onderwerp beantwoord.

De rijnvarende is op grond van de Rijnvarendenovereenkomst sociaal verzekerd in het land waar de exploitant is gevestigd, wanneer het een exploitant betreft in één van de Rijnstaten. Deze regel gold ook onder de voorganger van de Rijnvarendenovereenkomst, het Rijnvarendenverdrag.

Het gaat in dit bericht om in Nederland woonachtige rijnvarenden die werkzaam waren op binnenvaartschepen waarvan de exploitant feitelijk in Nederland is gevestigd. Zij waren daarom sociaal verzekerd in Nederland, waardoor zij hier niet alleen premies verschuldigd zijn, maar ook tijdvakken voor de AOW opbouwden zodat AOW-pensioen zal worden betaald.

Er zijn echter (buitenlandse) werkgevers die inhouding van premies in Luxemburg hebben voortgezet. Rijnvarenden die in hun aangifte inkomstenbelasting om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen verzoeken met als reden dat zij in het buitenland verzekerd zijn, zijn persoonlijk benaderd. In reactie op het verzoek in de aangifte stuurt de Belastingdienst telkens een brief waarin duidelijk wordt aangegeven dat de betreffende rijnvarende in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd is en in Nederland daarvoor premie moet betalen.

Voor zover door de werkgever ten onrechte sociale zekerheidspremies zijn ingehouden en afgedragen in Luxemburg, kunnen de rijnvarenden in Luxemburg een verzoek indienen om teruggave van ten onrechte betaalde premies. Of, en zo ja, onder welke voorwaarden een dergelijk verzoek wordt gehonoreerd, is afhankelijk van het Luxemburgse recht.

In uitzonderingsgevallen is er een mogelijkheid om een zogenaamd ‘verzoek tot regularisatie’ in te dienen indien in het verkeerde land is afgedragen. De betrokken staten kunnen dan in onderling overleg overeenkomen om in het belang van een werknemer bij wijze van uitzondering een andere wetgeving aan te wijzen dan die eigenlijk van toepassing was. Dat heeft dan niet alleen gevolgen voor de afdracht van premies, maar ook voor de opbouw van tijdvakken voor de AOW zodat daarvoor AOW-pensioen zal worden betaald. De SVB beoordeelt deze verzoeken individueel.

Op grond van vast beleid wijst de SVB verzoeken in beginsel af vanaf het moment dat duidelijk is dat de betreffende werknemer wist of kon vermoeden dat de Nederlandse wetgeving ten onrechte niet is toegepast. Hiervan is in ieder geval sprake, wanneer de werknemer door de SVB of de Belastingdienst is geïnformeerd dat hij in Nederland verzekerd was en de afdracht van premies in Luxemburg daarna desondanks is voortgezet.

Bron: MvF 14-05-2019, Aanbiedingsbrief beantwoording Kamervragen Rijnvarenden