Prejudiciële vragen over beëindigen slapend dienstverband

18 april 2019

De kantonrechter heeft, op verzoek van een werknemer, prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over het al dan niet bestaan van een verplichting van de werkgever om een slapend dienstverband te beëindigen en een transitievergoeding te betalen.

Een werknemer, geboren in 1963, is vanaf 16 juni 1986 bij de werkgever in dienst geweest als allround monteur/specialist. Vanaf 12 januari 2016 is de werknemer volledig arbeidsongeschikt. Hij ontvangt een WIA-uitkering. De werknemer heeft de werkgever gevraagd de arbeidsovereenkomst op te zeggen en aan hem de transitievergoeding te betalen, maar de werkgever heeft dat verzoek afgewezen. De werknemer heeft vervolgens voorgesteld dat de werkgever hem aan transitievergoeding het bedrag zal betalen waarvoor de werkgever gecompenseerd zal worden op grond van de Wet compensatie transitievergoeding. Volgens de werknemer is dit een redelijk voorstel, welk voorstel de werkgever op grond van de Stoof/Mammoet-criteria niet mag afwijzen. De werknemer stelt voor dat de kantonrechter hierover prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad.

De kantonrechter overweegt doordrongen te zijn van de omvang en de ernst van het probleem van de slapende dienstverbanden. Gelet op de tot dusver bestendige jurisprudentie lijkt de route via de ernstige verwijtbaarheid en de schending van de normen van goed werkgeverschap voor werknemers een doodlopende. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de compensatieregeling daarbij over het algemeen nog geen concrete rol speelde. Dat is nu anders en dat leidt tot onderling tegengestelde uitspraken, getuige de recente uitspraken van de Voorzieningenrechter Den Haag en de Ktr. Almelo. De route die de werknemer nu voorstelt via de Stoof/Mammoet-criteria is niet eerder aan de rechter voorgelegd. De kantonrechter is het met de werknemer eens dat, gelet op de veelheid aan zaken over slapende dienstverbanden, er een grote maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevend standpunt van de Hoge Raad. Het stellen en beantwoorden van prejudiciële vragen acht de kantonrechter dan ook essentieel. De werkgever heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter over het stellen van prejudiciële vragen. De kantonrechter zal daarom daartoe overgaan.

Wet: art. 7:611 BW , art. 7:673 BW , art. 7:669 lid 3 sub b BW , art. 392 Rv
Jurisprudentie: Rb. Limburg 10-4-2019, nr. 7567109/cv expl 19-1150 (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331); Rb. Den Haag 28-03-2019, nr. C/09/569762 / KG ZA 19/238 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3109) en Rb. Overijssel 21-03-2019, nr. 7483918 \ EJ VERZ 19-23 (ECLI:NL:RBOVE:2019:1021)

Bron: arbeidsrecht.sdu.nl.